Trail de la Roche à Minguet - tussen blessure en Corona. De kroon op een troonloos voorjaar?
Als we het hebben over culturele verschillen dan denken we doorgaans aan het onderscheid tussen 'westerlingen' en Moslims, of aan bevolkingsgroepen die afkomstig zijn uit verafgelegen zuiderse of oostelijke landen. Polarisatie, discriminatie, integratie en verrijking zijn dan vaak dé sleutelwoorden.
Aan de start van de Trail de la Roche à Minguet leerde ik echter dat je het helemaal niet zo ver hoeft te zoeken om geconfronteerd te worden met een Babylonische spraakverwarring. Of moet ik zeggen: begroetverwarring?
Terwijl ik koukleumend aan de start stond -jawel, die was een kwartier uitgesteld- kreeg ik Sebastien Henrotte in het vizier. Sebastien is een sterke Waalse trailloper in wiens gezelschap ik al twee maal samen het podium mocht bestijgen. Telkens in dezelfde regio (de westelijke Ardennen) op afstanden van rond de 50km. Hij iedere keer als tweede en ik als derde. Persoonlijk vind ik Sebastien een ietwat bijzondere loper. Met zijn kloeke, wat gedrongen postuur en grijzende baard ziet hij er beslist niet uit als de archetypische langeafstandsloper. Toch weten zijn stevige poten hem tot een aardige snelheid te propelleren. Ook bergop.
Ook Sebastien werpt me een blik van herkenning toe. Ik steek mijn hand uit. Hij negeert mijn in het ijle achtergebleven handdruk en komt wat dichterbij staan. Een seconde van verwarring tikt voorbij. Een hernieuwde poging om hem de hand te drukken. Vruchteloos. Hij priemt zijn harige wang ostentatief mijn richting uit. Twee seconden van verwarring. Dan het besef dat hij mij een wangzoen wil geven. Een seconde van aarzeling. Dan begraaf ik gewillig mijn gladde rechterwang in zijn stugge baard.
In totaal: vier seconden van 'awkwardness'.
Een daar had het Coronavirus hoegenaamd niets mee te maken. Ergens dwarrelde het -gedurende de halve seconde dat onze wangen elkaar vonden- wel degelijk door mijn gedachten. Van de paniek die nu heerst was toen -nog maar dik twee weken geleden- echter nog helemaal geen sprake.
De Zuidelijke en de Noordelijke gebruiken binnen ons land. Ze kunnen zo verschillend zijn.
"T'es en forme?" informeerde hij.
"Pas vraiment," repliceerde ik. Gevolgd door een uitleg in compleet beschimmeld Frans waarin ik duidelijk probeerde maken dat dit mijn eerste trail zou zijn na een periode van blessure, opgelopen door een mislukte poging op de 100 mijl. Geen idee of hij er iets van begrepen heeft.
Gelukkig had niemand van ons toen het vermoeden dat dit wel eens de laatste trail in zeer lange tijd zou kunnen worden. Voor mij voelde het toen nog aan als een nieuwe start, niet als het einde van het voorjaar. Kiara en Dennis waren op dat moment nog de grootste vijanden van het trailwereldje. Corona kwam toen nog maar net om de hoek piepen.
De tien pre-startminuten die er uiteindelijk dertig werden. Nog zo'n typisch Waals gebruik, dacht ik klappertandend. Rond mij stonden tal van lopers als nerveuze hengsten op en neer te springen in een krampachtige poging om hun vetarme lijven wat warm te houden. Op de koop toe werden we nog eens gegeseld door een ijskoude februari-plensbui.
Het startschot: eindelijk!
Na een vlotte start nestel ik me ergens in het midden van een toch wel ruime kopgroep. Het gaat meteen bergop en dat is ideaal om het terug wat warm te krijgen. Ik verwacht niet teveel op het vlak van prestaties. Naast Sebastien stonden er nog heel wat sterke lopers aan de start en dat is te zien aan de grootte van de kopgroep waarmee we na de korte asfaltknik de bossen induiken. En wat zou mijn lijf doen na weken van weinig loopvolume? Ook de interval- en tempotrainingen heb ik pas recent weer opgepikt. De winnaar van vorig jaar begint al meteen stevig aan de boom te schudden. Hij lijkt zeker van zijn stuk te zijn. Op een kilometer van de start lopen we ei zo na collectief verkeerd waarop Eric Brossard ons tot de orde roept en we het juiste spoor weer oppikken.
Bergaf kan ik al snel het tempo niet meer volgen en wanneer het tracé van het pad afwijkt om dwars door een bos met lage begroeiing te snijden, begin ik wat te sukkelen en moet ik tal van plaatsen prijsgeven. Toch voel ik me goed en maak ik me niet al te ongerust.
Na het met kreupelhout bezaaide stuk, dient zich een breed pad aan dat lang en steil omhoog loopt. Ik zet wat aan en merk dat ik de opgelopen achterstand gemakkelijk weet goed te maken. Verrassend genoeg kom ik al snel op kop te lopen en sla ik zelfs een kloofje! Mijn hartslag moet torenhoog zijn, mijn benen draaien nu al overuren maar mijn ademhaling blijft relatief rustig en gecontroleerd. Een goed teken, besef ik. De afgelopen jaren heb ik geleerd om een goede dag te herkennen aan het ritme van mijn ademhaling. Als mijn benen sneller gaan dan mijn adem, dan het zit het meestal erg goed. Is het omgekeerd, dan wacht er doorgaans een teleurstellende lijdensweg.
Slechts één loper volgt, komt dan naast me lopen om vervolgens de koppositie over te nemen. Enigszins dankbaar nestel ik me in zijn zog en weg zijn we. Samen bouwen we al snel een significante voorsprong uit. De ander legt er stevig de pees op en ik moet aardig uit de pijp komen om zijn tempo te volgen. Bergop lijk ik hem nog de baas te kunnen maar bergaf en op de technische stroken is het aanklampen geblazen. In die mate zelfs dat het mij heel wat mentale kracht vergt om niet gewoon mijn wagonnetje af te haken en aan een lager tempo door te stomen. Ik zit echter in een alles of niets mindset. Het is pompen of verzuipen. Aanklampen tot de voorsprong groot genoeg is of nu al lossen en weer opgeslokt worden door de achtervolgers.
Helemaal los van het pak komen we niet want niet zo heel veel later komt Eric Brossard aanpikken. Zodoende maakt hij van onze coalitie een tripartite. Het strak aanvoelende tempo waarmee we ons van de meute hebben losgeweekt blijft gehandhaafd. Veel adem om het prachtige parcours te savoureren, blijft er echter niet over. Alle hellingen worden dribbelend genomen, op het vlakke weigert onze aanvoerder het tempo onder de 16km/u te laten zakken en bergaf stort hij zich als een kamikaze naar beneden. Op de grimmige kuitenbijters hangt Eric -met zijn grote lange lijf- wat aan de rekker, in de afdalingen heb ik dan weer de grootste moeite om het tempo met mijn korte pootjes bij te benen. Terwijl Eric en ik haasje over spelen op de hellingen blijft Francois onverstoord als een metronoom de kilometers wegtikken.
De start werd een uurtje voor zonsondergang gegeven. Terwijl we op en af door de bossen klieven, telkens opnieuw de vallei van Lesse in duikelend om dan weer met de tong tussen de tenen naar boven te klauteren, kleurt de hemel langzaam bloedrood. Waar de weergoden aan de start hun ijskoude pis nog over ons hadden uitgegoten, trekken ze nu de sluiers van de hemel af. De lucht is strak en koud. Ondanks het feit dat de afkoeling snel inzet, krijg ik het steeds warmer. Ik begin langzaamaan te koken in mijn dunne winstoppertje. God zij dank heb ik géén lange broek aangetrokken. Helaas, er is geen tijd om mijn jasje uit te doen. Ik draag mijn racevest over mijn vestje heen waardoor ik eigenlijk genoodzaakt ben om te stoppen. En stoppen betekent afhaken. Wellicht voorgoed. Uiteindelijk maak ik gebruik van de eerste steile helling die ons tot wandelen dwingt: koortsachtig ontdoe ik me van mijn camelbag, klem het ding tussen mijn tanden en strip me snelsnel van mijn jasje. Terwijl ik mijn rugzakje nog aan het aandoen ben, zet Francois er alweer de pas in. Al lopend pruts ik mijn jasje in een veel te klein zijzakje.
"Ah, beaucoup mieux." zeg ik. Wat een opluchting!
We snijden een langgerekte afdaling langs de flanken van de Lessevallei aan, gevolgd door een oversteek over een bruggetje en een danteske klim. Tijdens het klimmen verliezen we én Eric Brossard én het allerlaatste daglicht. Met zijn tweeën struinen we nu door de donkere koude bossen, een virtueel lint van oplichtende reflectiestrookjes volgend. Rond km 22 halen we plots een handvol lopers in die ook aan het parcours van de 35km bezig blijken te zijn. Even slaat de angst me om het hart. Het zal toch niet waar zijn? Zouden we verkeerd gelopen zijn?
Gelukkig voor ons maar helaas voor de anderen blijken zij onbewust een significant deel van het parcours afgesneden te hebben. Wij blijken het voorlopig bij het juiste eind te hebben. Toch ben ik er nadien niet helemaal gerust op. De piekeraar in mezelf wil me er voortdurend van overtuigen dat het toch wij zijn die een misser hebben begaan. Menigmaal krijg ik een soort van déjà vu gevoel bij bepaalde stukken parcours. Die schuine, in stukken gezaagde tak... lag die er 6 km terug ook niet? En dat specifieke, kronkelende pad op die ene rotshelling... zo zijn er toch echt geen twee?
Francois en ik wisselen weinig woorden. Tijdens een kort intermezzo waarin hij de teugels wat laat vieren, kom ik langszij gelopen en leer ik dat Francois een 35 jarige triatleet is die zich voornamelijk toelegt op de lange afstand. Trails doet hij bij wijze van tussendoortje. Buiten dat korte gesprekje, loop ik voornamelijk achter hem aan en belicht zijn golvende triatlonkuiten met de scherpe lichtbundel mijn Petzl Nao+.
Op geregelde tijden lijkt er wat methaangas van tussen Francois' gespierde billen te ontsnappen. Aanvankelijk slechts een enkele keer maar naarmate de tijd vordert met steeds kortere tussenpozen. Wanneer hij aankondigt dat hij naar het toilet moet, worden mijn vermoedens gestaafd: Francois heeft last van hardlopersdarm. Over beter: traillopersdarm, de klassieke hardlopersdiarree maar dan met toevoeging van al het gehots en gebots over rotsen en boomwortels. Hij neemt wat voorsprong en duikelt de kant in. Na een korte aarzeling (ik wil niet van dit moment van zwakte en kwetsbaarheid profiteren om ervan door te gaan maar ik wil ook niet op Francois staan kijken terwijl hij zijn gevoeg doet) loop ik gewoon verder. Ik doe niet mijn best om hem extra op achterstand te zetten maar vertraag toch ook niet echt heel veel. Toch weet hij me in een mum van tijd weer te verschalken na het ledigen van zijn darmen.
Wat ik al langer vermoedde, wordt nu bevestigd: Het is niet zo dat ik in staat ben om Francois te volgen, het is hij die me gewoon duldt. Toelaat dat ik in zijn zog vertoef.
'Ok,' denk ik. 'Hij is duidelijk mijn meerdere. De tweede plaats is het hoogst haalbare. Laat ik gewoon zo lang mogelijk aanklampen, hopen dat de opgebouwde voorsprong groot genoeg is om de laatste kilometers te overleven.'
De gevreesde genadeslag komt op ca. 4 km van het einde. Het ganse parcours bestond uit een opéénvolging van pittige afdalingen en snedige hellingen maar de laatste sectie is toch nog even van een ander kaliber.
Men neemt een stafkaart. Men zoekt het deel van de Lessevallei waarin de hoogtelijntjes het dichts op elkaar geperst staan en men kribbelt er een op en neergaand potloodlijntje over. Aanschouw de laatste kilometers van de Trail de La Roche à Minguet.
Haat gaat op handen en voeten nu. Over glibberige met mos begroeide rotsblokken en doorheen stekelig struikgewas. Van een pad is al lang geen sprake meer. Mijn hoofdlamp werpt een kleine, gele kring in het pekzwarte duister. Op de eerste helling van de reeks, weet ik nog nét aan te klampen. De subtiele roestsmaak in mijn achtermond doet vermoeden dat onze coalitie geen lang leven meer beschoren is.
Inderdaad, bij het bestijgen van de tweede helling krijg ik een nekslag toegediend. De fut is er wat uit en ik kan het tempo met de beste wil van de wereld niet meer omhoogtillen. Met lede ogen kijk ik tegen de schier eindeloze helling aan. Al snel wordt de lichtbundel van Francois een vuurvliegje. een vuurvliegje dat langzaam maar zeker uitdooft. De reflectoren die het parcours aftekenen vormen een loodrechte lichtgevende lijn die ergens, hoog in het duister pas uitdooft.
Pffffffff. Mijn god.
Ook al gaat het deze keer maar om een trail van 35 km, tijdens die laatste kilometers put ik uit mijn ultra-mindset. Pijn verbijten, doorgaan en zorgen dat de beentjes blijven trippelen ook al is de tank zo goed als leeg.
Het is druk op de slotklim. Alle afstanden komen hier tezamen. Mijn hele lijf schreeuwt om genade maar ik blijf een looppasje uit de benen duwen. Ik heb er geen idee van hoe groot mijn voorsprong op de derde is en ik wil mijn tweede plaats niet zomaar afgeven. De hellingsgraad begint wat te milderen. Doorheen de bomen hoor ik de muziek en het opgewekte getater van de aankomstfestiviteiten. Het parcours zwenkt naar links, recht op het feestgedruis af.
Ah, verlossing, bijna!
Toch niet.
In extremis buigt het tracé nog een allerlaatste keer af, hup nog maar eens een helling vol kreupelhout op om ergens aan de bosrand een mind-fucking lusje te maken, nog enkele korte nijdige bultjes over om tot slot -eindelijk- de laatste rechte lijn richting finish aan te vangen.
God, wat smaakte dat pakje friet aan de finish heerlijk.
En Sebastien Henrotte? Die eindige deze keer eens als derde.
De Trail de la Roche à Minguet is er eentje om de vingers bij af te likken en ik heb er met volle teugen van genoten. In tijden waarin het er steeds meer op begint te lijken dat de ganse trailkalender voor bijl zal gaan, is dit een herinnering om te koesteren. Maar goed dat ik toen nog niet wist dat mijn eerste post-blessuretrail meteen ook de laatste in lange tijd zou worden.
Zalig is de onwetendheid!
Aan de start van de Trail de la Roche à Minguet leerde ik echter dat je het helemaal niet zo ver hoeft te zoeken om geconfronteerd te worden met een Babylonische spraakverwarring. Of moet ik zeggen: begroetverwarring?
Terwijl ik koukleumend aan de start stond -jawel, die was een kwartier uitgesteld- kreeg ik Sebastien Henrotte in het vizier. Sebastien is een sterke Waalse trailloper in wiens gezelschap ik al twee maal samen het podium mocht bestijgen. Telkens in dezelfde regio (de westelijke Ardennen) op afstanden van rond de 50km. Hij iedere keer als tweede en ik als derde. Persoonlijk vind ik Sebastien een ietwat bijzondere loper. Met zijn kloeke, wat gedrongen postuur en grijzende baard ziet hij er beslist niet uit als de archetypische langeafstandsloper. Toch weten zijn stevige poten hem tot een aardige snelheid te propelleren. Ook bergop.
Ook Sebastien werpt me een blik van herkenning toe. Ik steek mijn hand uit. Hij negeert mijn in het ijle achtergebleven handdruk en komt wat dichterbij staan. Een seconde van verwarring tikt voorbij. Een hernieuwde poging om hem de hand te drukken. Vruchteloos. Hij priemt zijn harige wang ostentatief mijn richting uit. Twee seconden van verwarring. Dan het besef dat hij mij een wangzoen wil geven. Een seconde van aarzeling. Dan begraaf ik gewillig mijn gladde rechterwang in zijn stugge baard.
In totaal: vier seconden van 'awkwardness'.
Een daar had het Coronavirus hoegenaamd niets mee te maken. Ergens dwarrelde het -gedurende de halve seconde dat onze wangen elkaar vonden- wel degelijk door mijn gedachten. Van de paniek die nu heerst was toen -nog maar dik twee weken geleden- echter nog helemaal geen sprake.
De Zuidelijke en de Noordelijke gebruiken binnen ons land. Ze kunnen zo verschillend zijn.
"T'es en forme?" informeerde hij.
"Pas vraiment," repliceerde ik. Gevolgd door een uitleg in compleet beschimmeld Frans waarin ik duidelijk probeerde maken dat dit mijn eerste trail zou zijn na een periode van blessure, opgelopen door een mislukte poging op de 100 mijl. Geen idee of hij er iets van begrepen heeft.
Gelukkig had niemand van ons toen het vermoeden dat dit wel eens de laatste trail in zeer lange tijd zou kunnen worden. Voor mij voelde het toen nog aan als een nieuwe start, niet als het einde van het voorjaar. Kiara en Dennis waren op dat moment nog de grootste vijanden van het trailwereldje. Corona kwam toen nog maar net om de hoek piepen.
De tien pre-startminuten die er uiteindelijk dertig werden. Nog zo'n typisch Waals gebruik, dacht ik klappertandend. Rond mij stonden tal van lopers als nerveuze hengsten op en neer te springen in een krampachtige poging om hun vetarme lijven wat warm te houden. Op de koop toe werden we nog eens gegeseld door een ijskoude februari-plensbui.
Het startschot: eindelijk!
Na een vlotte start nestel ik me ergens in het midden van een toch wel ruime kopgroep. Het gaat meteen bergop en dat is ideaal om het terug wat warm te krijgen. Ik verwacht niet teveel op het vlak van prestaties. Naast Sebastien stonden er nog heel wat sterke lopers aan de start en dat is te zien aan de grootte van de kopgroep waarmee we na de korte asfaltknik de bossen induiken. En wat zou mijn lijf doen na weken van weinig loopvolume? Ook de interval- en tempotrainingen heb ik pas recent weer opgepikt. De winnaar van vorig jaar begint al meteen stevig aan de boom te schudden. Hij lijkt zeker van zijn stuk te zijn. Op een kilometer van de start lopen we ei zo na collectief verkeerd waarop Eric Brossard ons tot de orde roept en we het juiste spoor weer oppikken.
Bergaf kan ik al snel het tempo niet meer volgen en wanneer het tracé van het pad afwijkt om dwars door een bos met lage begroeiing te snijden, begin ik wat te sukkelen en moet ik tal van plaatsen prijsgeven. Toch voel ik me goed en maak ik me niet al te ongerust.
Na het met kreupelhout bezaaide stuk, dient zich een breed pad aan dat lang en steil omhoog loopt. Ik zet wat aan en merk dat ik de opgelopen achterstand gemakkelijk weet goed te maken. Verrassend genoeg kom ik al snel op kop te lopen en sla ik zelfs een kloofje! Mijn hartslag moet torenhoog zijn, mijn benen draaien nu al overuren maar mijn ademhaling blijft relatief rustig en gecontroleerd. Een goed teken, besef ik. De afgelopen jaren heb ik geleerd om een goede dag te herkennen aan het ritme van mijn ademhaling. Als mijn benen sneller gaan dan mijn adem, dan het zit het meestal erg goed. Is het omgekeerd, dan wacht er doorgaans een teleurstellende lijdensweg.
Slechts één loper volgt, komt dan naast me lopen om vervolgens de koppositie over te nemen. Enigszins dankbaar nestel ik me in zijn zog en weg zijn we. Samen bouwen we al snel een significante voorsprong uit. De ander legt er stevig de pees op en ik moet aardig uit de pijp komen om zijn tempo te volgen. Bergop lijk ik hem nog de baas te kunnen maar bergaf en op de technische stroken is het aanklampen geblazen. In die mate zelfs dat het mij heel wat mentale kracht vergt om niet gewoon mijn wagonnetje af te haken en aan een lager tempo door te stomen. Ik zit echter in een alles of niets mindset. Het is pompen of verzuipen. Aanklampen tot de voorsprong groot genoeg is of nu al lossen en weer opgeslokt worden door de achtervolgers.
Helemaal los van het pak komen we niet want niet zo heel veel later komt Eric Brossard aanpikken. Zodoende maakt hij van onze coalitie een tripartite. Het strak aanvoelende tempo waarmee we ons van de meute hebben losgeweekt blijft gehandhaafd. Veel adem om het prachtige parcours te savoureren, blijft er echter niet over. Alle hellingen worden dribbelend genomen, op het vlakke weigert onze aanvoerder het tempo onder de 16km/u te laten zakken en bergaf stort hij zich als een kamikaze naar beneden. Op de grimmige kuitenbijters hangt Eric -met zijn grote lange lijf- wat aan de rekker, in de afdalingen heb ik dan weer de grootste moeite om het tempo met mijn korte pootjes bij te benen. Terwijl Eric en ik haasje over spelen op de hellingen blijft Francois onverstoord als een metronoom de kilometers wegtikken.
De start werd een uurtje voor zonsondergang gegeven. Terwijl we op en af door de bossen klieven, telkens opnieuw de vallei van Lesse in duikelend om dan weer met de tong tussen de tenen naar boven te klauteren, kleurt de hemel langzaam bloedrood. Waar de weergoden aan de start hun ijskoude pis nog over ons hadden uitgegoten, trekken ze nu de sluiers van de hemel af. De lucht is strak en koud. Ondanks het feit dat de afkoeling snel inzet, krijg ik het steeds warmer. Ik begin langzaamaan te koken in mijn dunne winstoppertje. God zij dank heb ik géén lange broek aangetrokken. Helaas, er is geen tijd om mijn jasje uit te doen. Ik draag mijn racevest over mijn vestje heen waardoor ik eigenlijk genoodzaakt ben om te stoppen. En stoppen betekent afhaken. Wellicht voorgoed. Uiteindelijk maak ik gebruik van de eerste steile helling die ons tot wandelen dwingt: koortsachtig ontdoe ik me van mijn camelbag, klem het ding tussen mijn tanden en strip me snelsnel van mijn jasje. Terwijl ik mijn rugzakje nog aan het aandoen ben, zet Francois er alweer de pas in. Al lopend pruts ik mijn jasje in een veel te klein zijzakje.
"Ah, beaucoup mieux." zeg ik. Wat een opluchting!
We snijden een langgerekte afdaling langs de flanken van de Lessevallei aan, gevolgd door een oversteek over een bruggetje en een danteske klim. Tijdens het klimmen verliezen we én Eric Brossard én het allerlaatste daglicht. Met zijn tweeën struinen we nu door de donkere koude bossen, een virtueel lint van oplichtende reflectiestrookjes volgend. Rond km 22 halen we plots een handvol lopers in die ook aan het parcours van de 35km bezig blijken te zijn. Even slaat de angst me om het hart. Het zal toch niet waar zijn? Zouden we verkeerd gelopen zijn?
Gelukkig voor ons maar helaas voor de anderen blijken zij onbewust een significant deel van het parcours afgesneden te hebben. Wij blijken het voorlopig bij het juiste eind te hebben. Toch ben ik er nadien niet helemaal gerust op. De piekeraar in mezelf wil me er voortdurend van overtuigen dat het toch wij zijn die een misser hebben begaan. Menigmaal krijg ik een soort van déjà vu gevoel bij bepaalde stukken parcours. Die schuine, in stukken gezaagde tak... lag die er 6 km terug ook niet? En dat specifieke, kronkelende pad op die ene rotshelling... zo zijn er toch echt geen twee?
Francois en ik wisselen weinig woorden. Tijdens een kort intermezzo waarin hij de teugels wat laat vieren, kom ik langszij gelopen en leer ik dat Francois een 35 jarige triatleet is die zich voornamelijk toelegt op de lange afstand. Trails doet hij bij wijze van tussendoortje. Buiten dat korte gesprekje, loop ik voornamelijk achter hem aan en belicht zijn golvende triatlonkuiten met de scherpe lichtbundel mijn Petzl Nao+.
Op geregelde tijden lijkt er wat methaangas van tussen Francois' gespierde billen te ontsnappen. Aanvankelijk slechts een enkele keer maar naarmate de tijd vordert met steeds kortere tussenpozen. Wanneer hij aankondigt dat hij naar het toilet moet, worden mijn vermoedens gestaafd: Francois heeft last van hardlopersdarm. Over beter: traillopersdarm, de klassieke hardlopersdiarree maar dan met toevoeging van al het gehots en gebots over rotsen en boomwortels. Hij neemt wat voorsprong en duikelt de kant in. Na een korte aarzeling (ik wil niet van dit moment van zwakte en kwetsbaarheid profiteren om ervan door te gaan maar ik wil ook niet op Francois staan kijken terwijl hij zijn gevoeg doet) loop ik gewoon verder. Ik doe niet mijn best om hem extra op achterstand te zetten maar vertraag toch ook niet echt heel veel. Toch weet hij me in een mum van tijd weer te verschalken na het ledigen van zijn darmen.
Wat ik al langer vermoedde, wordt nu bevestigd: Het is niet zo dat ik in staat ben om Francois te volgen, het is hij die me gewoon duldt. Toelaat dat ik in zijn zog vertoef.
'Ok,' denk ik. 'Hij is duidelijk mijn meerdere. De tweede plaats is het hoogst haalbare. Laat ik gewoon zo lang mogelijk aanklampen, hopen dat de opgebouwde voorsprong groot genoeg is om de laatste kilometers te overleven.'
De gevreesde genadeslag komt op ca. 4 km van het einde. Het ganse parcours bestond uit een opéénvolging van pittige afdalingen en snedige hellingen maar de laatste sectie is toch nog even van een ander kaliber.
Men neemt een stafkaart. Men zoekt het deel van de Lessevallei waarin de hoogtelijntjes het dichts op elkaar geperst staan en men kribbelt er een op en neergaand potloodlijntje over. Aanschouw de laatste kilometers van de Trail de La Roche à Minguet.
Haat gaat op handen en voeten nu. Over glibberige met mos begroeide rotsblokken en doorheen stekelig struikgewas. Van een pad is al lang geen sprake meer. Mijn hoofdlamp werpt een kleine, gele kring in het pekzwarte duister. Op de eerste helling van de reeks, weet ik nog nét aan te klampen. De subtiele roestsmaak in mijn achtermond doet vermoeden dat onze coalitie geen lang leven meer beschoren is.
Inderdaad, bij het bestijgen van de tweede helling krijg ik een nekslag toegediend. De fut is er wat uit en ik kan het tempo met de beste wil van de wereld niet meer omhoogtillen. Met lede ogen kijk ik tegen de schier eindeloze helling aan. Al snel wordt de lichtbundel van Francois een vuurvliegje. een vuurvliegje dat langzaam maar zeker uitdooft. De reflectoren die het parcours aftekenen vormen een loodrechte lichtgevende lijn die ergens, hoog in het duister pas uitdooft.
Pffffffff. Mijn god.
Ook al gaat het deze keer maar om een trail van 35 km, tijdens die laatste kilometers put ik uit mijn ultra-mindset. Pijn verbijten, doorgaan en zorgen dat de beentjes blijven trippelen ook al is de tank zo goed als leeg.
Het is druk op de slotklim. Alle afstanden komen hier tezamen. Mijn hele lijf schreeuwt om genade maar ik blijf een looppasje uit de benen duwen. Ik heb er geen idee van hoe groot mijn voorsprong op de derde is en ik wil mijn tweede plaats niet zomaar afgeven. De hellingsgraad begint wat te milderen. Doorheen de bomen hoor ik de muziek en het opgewekte getater van de aankomstfestiviteiten. Het parcours zwenkt naar links, recht op het feestgedruis af.
Ah, verlossing, bijna!
Toch niet.
In extremis buigt het tracé nog een allerlaatste keer af, hup nog maar eens een helling vol kreupelhout op om ergens aan de bosrand een mind-fucking lusje te maken, nog enkele korte nijdige bultjes over om tot slot -eindelijk- de laatste rechte lijn richting finish aan te vangen.
God, wat smaakte dat pakje friet aan de finish heerlijk.
En Sebastien Henrotte? Die eindige deze keer eens als derde.
De Trail de la Roche à Minguet is er eentje om de vingers bij af te likken en ik heb er met volle teugen van genoten. In tijden waarin het er steeds meer op begint te lijken dat de ganse trailkalender voor bijl zal gaan, is dit een herinnering om te koesteren. Maar goed dat ik toen nog niet wist dat mijn eerste post-blessuretrail meteen ook de laatste in lange tijd zou worden.
Zalig is de onwetendheid!




Reacties
Een reactie posten