Een vuist van water sloeg boos tegen de rotswand. De zee een driftig kind. De wind een kwade ouder die het wateroppervlak een stevige rammeling gaf. Mijn knieën knikten en mijn darmen draaiden zich in een knoop. Ik voelde een golf van paniek opkomen. Ik zat vast! Ik kon geen kant meer op. Wat doe ik hier zelfs? Het was vroeg in de ochtend. Rond geen enkele van de vele tentjes die Kvalvika Beach bespikkelden, was al een teken van leven te bespeuren. Ik had een spoor van scherpe voetstappen achtergelaten op het maagdelijke zand. Ik was alleen. De goudgele avondlucht van de dag voordien had opnieuw plaatsgemaakt voor een hemel die kreunde onder haar eigen loodgrijze gewicht. Na een korte passage over het zand had de route mij over een scherpe rotspartij gedwongen. Zoekend en schuifelend had ik mij een weg gebaand over het gladde gesteente, er mij volledig van bewust zijnd dat een foute inschatting tot precaire situaties kon leiden. Ik stond met beide voeten voor elkaar op een richeltje van een halve schoen breed. Voor mij gaapte een opening van een kleine meter. Aan de overkant liep het richeltje verder. Rechts van mij stortte de rotspartij zichzelf een aantal meter lager de branding in. Ik verstijfde. Durfde de sprong over de opening niet te maken. Ik trachtte mij om te draaien maar het lompe gewicht van mijn rugzak en de steile wand naast mij maakten dat ik te weinig manoeuvreerruimte had. Onderwijl geselde de felle wind de topzware combinatie van lijf en rugzak. Een wee gevoel van angst legde een stevige strik rond mijn ingewanden. Uiteindelijk lukte het toch om mezelf héél langzaam om te keren. Ik schuifelde naar beneden. Ik wilde terugkeren naar een veilig punt om vandaar een andere route te zoeken. Ik scande de rotswand met mijn nerveus heen en weer schietende doppen maar zag geen enkele andere mogelijkheid.
"What the fuck!"
Ik zei het luidop. De richel liep te steil af. Het was te gevaarlijk om af te dalen. Het regende en de rotsen waren glad. De strik trok zich strakker aan en stuwde een golf van paniek door mijn lijf. Ik voelde dat ik begon te hyperventileren.
"Fuck, fuck, faaaaak!"
Mijn stem klonk hoog en trillerig. Er was geen weg terug. En geen weg vooruit.
'Is dit het dan?' schoot het door mij heen. 'Het einde van mijn leven? Zou ik uitglijden, tegen de rotsen aan smakken en verdrinken in de branding? Zou Kvalvika Beach, 10 augustus, het punt in tijd en ruimte zijn waar mijn levenslijn ten einde liep?'
Ik voelde dat ik erg graag leef en was bijlange na niet klaar om mijn laatste slotakkoord te spelen. Ik merkte tijdig op dat ik in een negatieve spiraal van paniek en fatalistische gedachten was terechtgekomen en dwong mezelf tot kalmte. Adem in, adem uit. Ik vertelde mezelf dat er niets zou gebeuren zolang ik uiterst kalm bleef en elke stap met grote voorzichtigheid nemen zou. In het ergste geval zou ik een paar uur op de richel moeten doorbrengen totdat er andere mensen voorbij zouden komen. Ik zou niet sterven op deze rots! Tergend langzaam draaide ik me weer om en vervolgde mijn weg tot ik weer aan het gepande gat in de rotswand stond.Ik zette me schrap. Haalde diep adem. In één beweging sprong ik over het kloofje en landde aan de overkant.
******
De kilometers na Kvalvika kronkelden door drassig terrein. Ik wist niet goed of de grauwe hemelkoepel een projectie was van mijn innerlijke wereld, of mijn gemoed een gevolg van het treurige weer. Het was koud. Het had een novemberdag in België kunnen zijn. Ondanks een afgevlakt en weinig levenslustig gevoel zette ik er stevig de pas in. Ik voelde me in mezelf gekeerd, gedachten die als gieren rond een rottend kadaver draaiden. In gedachten had ik mijn relatie intussen al beëindigd. Doffe emoties kwamen en gingen. Tegelijkertijd voelde ik mij kalm en vredig. Na enkele kilometers bereikte ik een brede baai. Het leek wel een tong van water. De imposante bergen die het water omzoomden een schots en scheef gebit. Het wandelpad ging over in een gravelweg. Ik passeerde de ene na de andere kampeerwagen. Een slaperige sfeer hing als nevel over de weg. Hier en daar sneden een aantal mensen aarzelend het begin aan van wat een deplorabele dag zou worden.Vloekend en sakkerend baande ik mij een weg richting de bergpas die ik nog te overwinnen had. Als je een trektocht doet kan je één dag regen wel incasseren. Het is niet fijn, kledij wordt vochtig, de tent nat en er nestelt zich een soort van klamheid in al je spullen. Als de dag nadien de zon weer schijnt, kan alles drogen en wordt het humeur weer opgepoetst. Dit was al de derde regendag op vier dagen tijd. De gietende, ijskoude regen op weg naar Lake Store, vervolgens één mooie dag en dan de door en trieste kilheid van de dag voordien. Godzijdank een mooie avond als intermezzo om nu weer een doorregende modderdag voorgeschoteld te krijgen. Het begon te wegen. Mijn schoenen waren sinds dag drie van de tocht voortdurend kletsnat geweest en ik begon trenchfeet te ontwikkelen. Ik had de voeten van een spook en mijn huid begon op verschillende plekjes pijnlijk door te scheuren.
In mijn zog liepen een handvol Scandinavische jonge gasten. Aan hun niet te dissecteren gewauwel te horen, waren het waarschijnlijk Finnen. We liepen ongeveer hetzelfde tempo en ze bleven enkele tientallen meters achter mij hangen. Op de door wind geteisterde bergpas hield ik net lang genoeg halt om de spijt van de gemiste esthetiek te voelen. De nabijgelegen steile bergwanden verraden een spectaculair landschap dat pesterig aan het oog werd onttrokken door een crèmelaag van dikke wolken. Goh, dacht ik, in zonnige omstandigheden moet het hier prachtig zijn. Een mens is iets vreemd. Spijt voelen bij het willen aanschouwen van een door het geestesoog geconstrueerd tafereel dat emergeert uit de suggestie die voortvloeit uit wat het oog écht ziet.
Was de beklimming al klote? Dan was de afdaling als een stevige stamp in de ballen met een gratis nekslag erbij. Staan blijven op de spekgladde ondergrond was al een huzarenstuk. Afdalen zonder te vallen was schier onmogelijk. Ik gleed meermaals onderuit en maakte telkens harde smak.
"Godverdomme!"
Oervlaams gevloek knetterde over het Scandinavische landschap. Doornat en besmeurd door modder bereikte ik de vallei om daar verwelkomd te worden door meer van hetzelfde. Hoewel, er was een nuanceverschil. Van gladde drek naar serieuze buikloop. Knieën standaard tot in het water. Moedeloos plofte ik neer en werkte mechanisch wat kleffe boterhammen naar binnen. Ze vielen bijna uit elkaar van het vocht. Ik grinnikte van ellende. Het was druk op het modderpad dat doorheen de vallei sloop. Aan de andere kant van de volgende -gelukkig veel lagere- bergpas lag Kjerkfjorden. Een klein gehucht waar ik die dag een ferry zou nemen om aan de andere kant van de baai te geraken. Blijkbaar had een vorige ferry nét een lading dagtrippers uitgebraakt. En een handvol trekkers die de Long Crossing in de tegenovergestelde richting aan het afleggen waren.
Meer gepuf, gehijg, geklaag en gesteun. De volgende pas, hoe laag ook, was er gewoon teveel aan. Op weg naar boven kruiste ik het pad van een groep documentairemakers die een week zouden filmen in het Nationale Park. Ah, heb ik net een nationaal park doorkruist? Daarom is het hier volgens mijn geestesoog zo mooi! Of omgekeerd: het zal wel een nationaal park zijn omdat het hier fraai is. Godzijdank was de afdaling gradueel en voor de verandering eens niet modderig. Beneden zag ik het ferrydok al liggen blinken in al haar treurigheid.
******
Er zaten wel wat mensen te wachten aan het dok. Ik was opgelucht dat ik eindelijk was aangekomen. Het deed deugd om niet langer alleen te zijn in mijn misère. Iedereen zag er even triest en doorweekt uit. Het animo verwelkt onder een al te gulle gieter. Ik deed mijn schoenen uit en schrobde de drek van mijn onderbenen in de baai. Daarbij werd ik nat gemaakt door een plots hoog opslaande golfslag. De wind was grillig en net zoals die doornatte ochtend in Nusfjord kwam het weer in stoten. Een moment van kalmte. Dan de wind die hevig aantrok en de zee die heftig begon te klotsen, golven die als zweepslagen op de rotsen sloegen. Dikke buienwolken die enkele tellen eerder nog veraf hadden geleken, kotsten hun ijskoude inhoud uit over de kustlijn. Iedereen dook in elkaar of zocht beschutting achter het kleine houten hutje op het dok. Dan werd alles weer rustig. Tussen de buien door geraakte ik aan de praat met Manon en Nicolas, twee Belgen uit Luik. Een koppel jonge twintigers. Waar mijn Frans een dikke schimmellaag heeft, was hun Nederlands slechts licht bedorven. Ik vroeg mij luidop af of de ferry in deze omstandigheden wel zou uitvaren. De deining op het water leek echt intens. Voor de Lofotianen was er echter geen vuiltje aan de lucht -gewoon een zomerdag als een ander- en daar kwam de ferry al aan gehobbeld over de onrustige wateren.
Bij het uitstappen was er enige verwarring. Toen ik de navigatie van mijn GPS-horloge weer wilde inschakelen om het tweede deel van etappe 9 aan te vangen, bleek ik plots kilometers naast de route te zitten. Oh nee! Was ik uitgestapt aan een verkeerde 'halte'? Ik kreeg een krop in mijn keel en een kei in mijn maag. Dit kon er echt niet meer bij! Op dat moment mistte ik een degelijke kaart en bood het kleine schermpje van mijn horloge weinig duidelijkheid. Ik vroeg aan Manon en Nicolas of zij hetzelfde probleem hadden maar dat bleek niet zo te zijn. Waar ik mijn route gewoon van het internet had gehaald, volgden zij een eigengemaakte variant op de Long Crossing. Ok, daar zou ik dus weinig aan hebben. Enig deductie- en puzzelwerk leidde mij tot de conclusie dat de stop waar mijn route op geënt was niet langer werd bediend door de ferrydienst. Onoverkomelijk was dat gelukkig niet want er liep een pad langs de baai dat aansluiting gaf op de juiste route. Dat betekende wel dat ik niet slechts één maar nog vier kilometer te gaan had. Dat lijkt een onbeduidend verschil maar na zo'n lange klotedag was dit een echte klop op de smoelenbak. Mentaal had ik de dag al opgevouwen en weggestoken. Niet dus. Besef ook dat drie kilometer in de Lofoten soms gelijkstaan aan dik twee uur ploeteren. Ik begon er dus maar aan en zag hoe Manon en Nicolas samen met een derde man dezelfde route hadden aangevangen. Ik voegde me bij hen. De derde bleek een Franse man met dik vijftig levensjaren op de teller te zijn. François. Een gezelschapje, bont in geleefde seizoenen, gegeseld door weer en wind. François was iets trager en al snel waren we nog maar met z'n drieën op stap. Nicolas op kop, dan Manon en tot slot ik die worstelend trachtte aan te klampen. Waar ik mij enkele dagen terug nog jeugdig en viriel had gevoeld, was ik nu als een oude man. De knieën waren beurs, mijn rug deed pijn en mijn energiepijl had de bodem bereikt.
******
Gedachten gaan snel. Razendsnel. In die ene seconde die het moment waarop ik uitgleed scheidde van het ogenblik waarop tegen de grond smakte, bedacht ik mij hoe belachelijk mijn val niet was. Nog geen drie tellen eerder had ik Manon zien sukkelen en nét niet onderuitgaan op hetzelfde punt. Mij bewust zijn van het gevaar had een idiote smak niet kunnen voorkomen. Ik landde relatief zacht in de begroeiing naast het pad. Die smalle strook van vegetatie ging echter al snel over in een steile rotswand die uitgaf op klotsende baai. Ik schoof naar beneden maar bleef gelukkig hangen in de struiken. Zo lag ik daar: mijn voeten nog op het pad, mijn lijf in een hachelijke hellingshoek en mijn beschaamde kop een halve meter lager. Het lompe gewicht van mijn rugzak trok mij naar beneden en er was géén houvast. Ik geraakte gewoon niet meer recht en lag hulpeloos te spartelen. Manon reikte me de hand en trok me recht. Zo snel was het dus gebeurd. Het was niet zo moeilijk om jezelf in te beelden hoe mensen het leven laten in de bergen. Volgens mij gebeurt dat lang niet altijd op spectaculaire wijze. Een dwaling van de aandacht op het verkeerde moment, een onhandige strompeling of een lompe val.
De resterende tijd op dat abominabele pad kon ik alleen maar denken hoe dankbaar ik was om dit absolute dieptepunt niet in alleenheid te moeten volbrengen. De route wrong zich langs een steile helling vlak boven de baai. De niet aflatende regen had 'het pad' getransformeerd tot een spekgladde modderstrook. Het voelde als wandelen over een met bruine zeep ingesmeerd plastic zeil. Bovendien kronkelde de route ook nog eens over tal van kleine en grote rotspartijen met grote spaties ertussen. Ideaal om benen te breken en knieën te ontwrichten. En dan waren er nog de bomen en de stuiken die het pad overgroeiden, takken die als grijpgrage vingers in onze rugzakken haakten. Boomwortels die als gladde alen over het pad krioelden. Ook Manon schoof enkele keren uit en een enkele keer kon ik haar nog net van een serieuze val redden. Soms duurde het -zoekend en schuifelend over de zoveelste rotspartij- wel twintig minuten om een stuk van honderd meter te overbruggen. In de mist van alle miserie was er ook af en toe een opklaring te bespeuren. Flarden conversatie op de weinige stukken waarop de aandacht niet onversneden naar het niet-uitschuiven moest gaan. Ik leerde dat Nicolas militair piloot in opleiding was. Hij had de rustige vibe van een jongeman die zijn prioriteiten op een rijtje heeft en een leven leidt in lijn met wie hij is. Manon was dierenarts in opleiding en had een open en goedlachs gelaat. Ondanks de misère. Beiden zagen er slank en fit uit. Evenwichtig van geest. Ik kon het niet helpen om terug te denken aan mijn eigen 23-jarige zelf. Ook fit en slank maar verloren in de draaikolk van mijn eigen emoties en gedachten. Mijn innerlijke wereld was een puzzel geweest die ik uit alle macht trachtte te ontcijferen. Mijn pad één dat over vele pieken en dalen liep. Sommige mensen bereiken nu eenmaal op jongere leeftijd al een staat van bewustzijn waarop vele ouderen van jaren jaloers mogen zijn. Of ze hebben het gewoon altijd al gehad.
Verslagen zaten we op een rots. Alle drie uitgeblust. Ineengedoken tegen de regen. Nicolas en Manon knabbelden een proteïnereep weg terwijl ik mijn energie probeerde putten uit wat gedroogd fruit. Veel anders kon ik niet meer eten door mijn mysterieuze allergische aandoening. Al maanden stond ik op een streng -haast onmogelijk- eliminatiedieet zonder erachter te komen wat mijn aanvallen uitlokte. Een paar keer had ik mij tijdens de reis laten gaan en mij tegoed gedaan aan enkele verboden vruchten. Later zou ik dat dan ook mogen bekomen, maar op dat moment nog niet.
"Wij stoppen ermee voor vandaag." poneerde Nicolas. "Het is genoeg geweest."
"Stoppen?" vroeg ik met verbazing.
"Ja, we kunnen kamperen aan de hydro-elektrische centrale op het einde van de baai."
Ik staarde hem enkele seconden gedesoriënteerd aan. Dan kwam er een soort van secundaire verbazing op. Stoppen? Dat was gewoon niet in mij opgekomen. Dat kon dus gewoon! Ik voelde opluchting en dankbaarheid dat hij die woorden had uitgesproken.
"Ja, goed idee." reageerde ik. "Laten we er een einde aan breien. Ik ben het strontbeu."
Dat waren we het allemaal. Stront-schijte-beu.
Tien minuten later bereikten we de centrale. Een rood, houten gebouw dat omgeven was door een groot vlak erf. Ideaal om meerdere tenten neer te zetten. De eigenlijke route liep nog 1km verder omhoog om te eindigen op een heuveltop. De top waar ik van plan was geweest om te kamperen. Die ene kilometer waarvan ik had gedacht dat het de laatste van de dag zou zijn. Wat ik toen ook niet goed beseft had, was dat die kilometer steil omhoog liep langs spekgladde rotspartijen. Vanaf zeeniveau zo'n 450 meter de hemel tegemoet. Een brutale klim dus. Eens het besluit genomen was, daalde er een rust over mij heen.
Er kwam een einde aan het lijden.
Niet zo heel veel later voegde François zich weer bij ons. Samen eten zat er echter niet in. Het regende nog steeds zeven kleuren stront en de tent zette ik op in een kort droog intermezzo. Koken deed ik voor het eerst in mijn voortent. De wasemen van mijn dampende kookpot sloegen meteen aan op het tentzeil. Alles was klam en vochtig. Ik kwam nog één keer met brute tegenzin mijn tent uit om wat af te wassen en mijn tanden te poetsen en zag hoe het koppeltje zich knus in hun tentje had genesteld. Met een knoop van eenzaamheid in mijn maag kroop ik alleen mijn vochtige onderkomen in. Nog net zag ik hoe de zon even door het loden hemeldak brak en de kwade bergen koesterde in een gouden omhelzing.********
De zevende dag van mijn tocht zag het leven in licht. Het grijze wolkendek was opgelost en een frisse blauwe lucht lachte ons toe. Een arctische glimlach. Een koude kus van de niet aflatende wind. Ik was laat opgestaan voor mijn doen -ik vond de fut niet om de dag aan te gaan- en we ontbeten samen. Het gezelschap deed mij deugd en de flauwe zonnestralen bliezen weer wat moed in systeem. We waren het er al snel over eens dat we het vervolg van de tocht samen zouden aanvangen. Ik had echter veel meer tijd nodig om mijn spullen bij elkaar te rapen. Het kampeergerei van Nicolas en Manon was allemaal lichtgewicht en hi-tech. Over elk detail was nagedacht, geen gram te veel. Ik zeulde een te grote tent met mij mee en dezelfde relatief zware spullen waarmee ik intussen achttien jaar geleden mijn eerste trektocht maakte. Mijn rugzak woog gemakkelijk zes kilo meer. We namen afscheid van François die liever op zijn eigen gezapige tempo liep en vingen de beklimming aan. Van zodra we het erf van de elektriciteitscentrale achter ons lieten, schoot de route weer recht omhoog. Godzijdank hadden we die de dag voordien niet meer in die uitgeputte toestand proberen te bedwingen. De relatief goede nacht had mij weer wat gerevitaliseerd. Ik voelde weer kracht in mijn benen en belangrijker: goesting! Drive. Zin om eraan te beginnen. Klaar om weer nieuwe indrukken in mij op te nemen. Ook mijn humeur was weer uit het dal gekropen. Er lag een veelbelovende etappe voor ons met de mogelijkheid om Hermansdaltinden -de hoogste top van het eiland- te beklimmen. De belofte van mooi weer danste in de lucht. Al had ik geleerd om de Lofoten niet meer op hun woord te geloven.
Mijn wantrouwen bleek gegrond te zijn. We hadden het meest brutale stuk van de beklimming nog maar net achter ons gelaten of de eerste buienlijn trok al over het gebergte. Een kille wind sloeg ons om de oren en kapte in al haar gulheid een bak koud hemelvocht over onze kop. De regenjassen gingen aan en de kapjes werden strak om de knikker getrokken. Vervolgens was het weer droog. Op het hoogste punt van de klim stonden we aarzelend naar de horizon te turen. Alsof daar antwoorden te vinden waren. Het weer weet hier zelf niet wat het een paar seconden later gaat doen. Meteorologische borderline.
Hermansdaltinden beklimmen of niet? Wie weet blijft het droog? Heeft het weer haar driftbui gehad? Ik wilde het zo graag. Zo graag! Maar mijn verstand en mijn intuïtie waren het er unaniem over eens dat het een slecht idee zou zijn. Niet alleen zou de kans op mooie uitzichten zeer klein zijn, het zou weleens ronduit gevaarlijk kunnen zijn om ons -blootgesteld aan de grille stormwinden en buien- op de kale flanken van Herman te wagen. Het was het gewoon niet waard. Klaar en simpel. Ook Nicolas en Manon kwamen tot dezelfde conclusie. Ik wandelde door met een dof gevoel van teleurstelling. Tegelijkertijd voelde ik ook een vuur in mij branden. Als het weer het toeliet zou ik morgen terugkomen!
"Is zo'n tocht geen relatietest?" vroeg ik nieuwsgierig. Een droog intermezzo deed de kappen naar beneden gaan en gaf enige ruimte voor conversatie.
"Hmmm," zei Nicolas. "Niet echt. Het gaat eigenlijk allemaal vlot. Soms, als we moe zijn, is er al eens frictie maar dan merken we dat meteen op en hebben we een goed gesprek."
"Ja, we praten altijd alles meteen uit." voegde Manon toe.
Wat een tof koppel, dacht ik bij mezelf. Mijn gedachten gingen terug naar de reis die ik -ook in mijn 23ste levensjaar- samen met mijn ex-partner had gemaakt. De slaande ruzies, de voortdurende meningsverschillen, de spanningen.
Ik voelde me merkbaar fitter vandaag en al snel werd het duidelijk dat ik er een veel vlotter tempo op nahield dan mijn jonge gezelschap. Aanvankelijk paste ik me met plezier aan maar gaandeweg werd het verschil te groot en te lastig. We namen afscheid en gingen elk onze eigen weg. Dat is het voordeel van alleen te reizen. De vrijheid, de ongebondenheid. In verbinding gaan wanneer je wil, uit verbinding gaan wanneer dat beter voelt. Leven en wandelen op je eigen tempo. Snel wanneer je je goed voelt, traag wanneer het minder gaat. Voor iemand als ik, die leeft in een dans tussen vrijheid en verbinding, is dat heerlijk. De prijs voor die vrijheid is de eenzaamheid. Die is vaak erger bij het weer thuiskomen, dan tijdens de reis zelf.
Vervuld van ondeelbare herinneringen.
Tijdens het eerste deel van de tocht was de hemel een rommeltje van zon en wolken geweest. Nu hadden de brokken zichzelf aan elkaar gelijmd tot een vette, grijze massa. Ik zette er stevig de pas in. Vlak voor de route in dalende lijn zou gaan richting het eindpunt in Sorvagen, was er de mogelijkheid om de bergtop Munkebu te beklimmen. Anders dan Hermansdaltinden was dit een relatief korte en gemakkelijke omweg. Ondanks de vette wolkensoep besloot ik het erop te wagen. Het moest maar eens enkele seconden opklaren!
Dat gebeurde niet.
*******
De laatste kilometers richting Sorvagen liepen over een smalle glooiende bergkam. Het was opgehouden met regenen en de open zee ontvouwde zich. Beneden, aan de voet van de graat lag Sorvagen. Een handvol bouwsels dat in een kleine inham leek gesmeten te zijn. Aan de andere kant van nog een bergkam lag A, het absolute eindpunt van de tocht. Een melancholisch gevoel daalde over mij neer. Het ene moment moet het allemaal nog beginnen. De knetterende anticipatie, de belofte van avontuur en vrijheid nog hangende. Het volgende moment is alles ingeblikt tot een herinnering. De ervaring wordt een verhaal. En tegelijkertijd hadden die zeven dagen het gewicht van een maand. Of langer! Alle levensvreugde, avontuur en nieuwigheid die ik op een jaar beleefde gecomprimeerd in een dikke week.
Een confronterende gedachte die daaruit volgde: wat zegt dat over mijn dagelijkse leven?
Afdalend door de beboste vallei voor Sorvagen kwam de zon erdoor en werd het zelfs warm. Ik zette mijn tent neer naast een meer dat aan de stadsrand lag. Ik stripte de kleren van mijn gortvuile lijf en waste in de avondzon het kleefsel van twee miserabele modderdagen van mij af. Ik trok een stel relatief propere kleding aan en ging die avond op restaurant. Ik at een radicaal geprijsde matige steak met slappe frieten. Gemarineerd in hongersaus smaakt alles echter als een koningsmaal. Ik klokte er nog een halve liter bier achteraan en voelde me te aangeschoten en te voldoen om mij iets aan te trekken van de 80 ballen die ik betalen moest.
Toen ik mijn tent in kroop had de avondzon alle wolken opgekuist. De dag stierf een zoete dood.
******
Die nacht schoot ik om 2u wakker. Ik stak mijn slaperige kop naar buiten en voelde een stoot van energie. De hemel was helder. Ik checkte het weerbericht en zag dat het tot ongeveer een uur of acht helder zou blijven, nadien zouden de wolken het weer overnemen. Het was tijd om op te staan. Als het had gekund, was ik onmiddellijk vertrokken maar intussen waren de nachten te donker geworden en de zon was nog niet op. Ik zat op hete kolen en vervloekte mezelf voor het niet meebrengen van een hoofdlamp. Tijdens het koffiedrinken zag ik een andere backpacker in het donker langs de drassige oever klooien, op zoek naar een kampeerplek. Ik begroette hem en leidde hem naar een droog kampeerplekje dat mij gisteren in het oog was gesprongen. Het had iets surrealistisch. Blijkbaar was hij net aangekomen met de ferry. Ik kegelde mijn lunch, een regenjas, een fleecetrui en mijn EHBO-kit in mijn rugzak. Van zodra het om 3u begon te schemeren, vatte ik mijn tocht aan. Zo'n 12km en 1800 hoogtemeters scheidden mij van Hermansdaltinden, het dak van Moskenesoya. Daarvoor moest ik op één kilometer na de héle weg teruglopen naar de elektriciteitscentrale waar ik daags voordien met Manon, Nicolas en Francois had gekampeerd. Enkel de retesteile klim die de baai met de heuveltop verbond kon ik links laten liggen. Zonder het juk van mijn zware rugzak -mijn tent en bijbehorend interieur had ik aan het meer laten staan- leek ik wel te vliegen. De nachtelijke lucht voelde warm -wat een weersomslag!- en het zweet droop van mijn lijf. Ik waande mij alleen op de wereld maar enkele uren later werd die illusie doorprikt. Ik kruiste een man die soepel het wandelpad kwam afgegleden. Ik uitte mijn verbazing en een kort gesprek leerde me dat hij op de terugweg was van de beklimming van Hermansdaltinden.
"Ik ben gisteren om 23u30 vertrokken, met een hoofdlamp. Deze nacht was het immers helder, vanaf de voormiddag zou het weer bewolkt zijn."
Shit, dacht ik. Waarom heb ik geen hoofdlamp meegenomen? Ik zal toch niet te laat zijn? De hele tocht lang werd ik voortgedreven door een nerveuze energie.










Reacties
Een reactie posten