De kop van Herman bestond uit twee smalle granieten blokken die stuntelig tegen elkaar aan lagen geleund. Met trillende knieën en een hart dat bonkte van de opwinding schuifelde ik de laatste meters naar boven. Ik ging voorzichtig zitten op het smalle stuk rots. Een zucht van opluchting ontsnapte aan mijn lippen. Opluchting die eerder voortkwam uit het nipt bereiken van de top in vrij heldere omstandigheden dan uit het kunnen loslaten van de urenlange inspanning. De wanden van de berg zakten langs alle kanten zonder omhaal de diepte in. Ik zat met mijn rug naar het westen gericht. Achter mij stortte de bergwand zichzelf de zee in.

Een slordige duizend meter lager. De zee was een blauwe vlakte die ongehinderd achter de kromming van de aarde verdween. In de verte kwamen grillige wolkenflarden aangezeild. Aan zuidoostelijke zijde hadden de wolken het pleit al gewonnen. De top van Munkebu -de bergknobbel waarop ik mij een uur of twee eerder had staan vergapen aan de opkomende zon en de instromende wolken- had zich begraven in de buik van een vette pluiswolk. De watten rolden lui de vallei in die ik had doorkruist om de flanken van Herman te kunnen bestijgen.
In een staat van verstomming staarde ik naar het noordoosten. Gletsjers zijn rivieren van ijs die zo traag stromen dat ze stil lijken te staan. Bergen zie ik als golven in de aardzee, zo traag op en neer deinend dat ze voor ons -wezens met het leven van een vingerknip- roerloos en tijdloos lijken. De Lofoten vormen een woeste oceaan. Golven die dapper naar de hemel grijpen. Alle kanten opspatten. De lucht in twee willen snijden. Ik voelde mij in extase. Een diepe voldoening daalde over mij neer. Het is een gevoel waarop ik al mijn hele leven jaag, een innerlijke staat die ik enkel weet te bereiken bij het voltooien van een ultraloop of het beklimmen van een berg.

Mijn ego kickt op het feit dat ik de beklimming -12km met 1800 hoogtemeters over moeilijk terrein- op een relatief korte tijd heb weten af te leggen. Ik genoot ervan om mijn lijf in z'n zesde versnelling te gooien en alles uit mijn motor te sleuren. Ik had een race tegen het aanstormende wolkendek gelopen. Ik heb mij al vaak afgevraagd welke leegte ik probeer te vullen met die onverzadigbare prestatiedrang. Het antwoord op die vraag heb ik jaren geleden al gevonden.
Er zijn mij in mijn kindertijd dingen overkomen die het geloof dat ik gewoon genoeg ben al op jonge leeftijd aan gruzelementen hebben geslagen. Ik ben volwassen geworden met de innerlijke overtuiging dat ik moet presteren om te mogen zijn. Niet om uit te blinken, maar om te mogen bestaan. In mij zat een leegte die gilde en schreeuwde om gevuld te worden. Een vacuüm dat zoog. Een zwart gat dat enkel groter werd naarmate ik het meer voedde. Er bestond geen prestatie, geen beklimming en geen ultraloop die de rust bracht waarnaar ik op zoek was. Er was alleen de rush, gevolgd door een kortstondige bevrediging die weer overging in een onrust die enkel maar meer vroeg om gesust te worden. De laatste jaren heb ik mij meer en meer kunnen losmaken van de pijn die mij met onzichtbare touwtjes voorttrok. De zin om te presteren en mijn grenzen af te tasten is niet weg. En dat moet ook niet. Er is iets heel gezonds aan het willen exploreren, ten volle te willen leven en intense fysieke ervaringen in de natuur op te zoeken.

Maar ik heb het niet meer nodig om te mogen bestaan. Gelukkig, want anders zou ik nu doodongelukkig zijn. Mijn lichaam -hoewel nog steeds erg fit- is niet meer het ultraloperslijf van twee jaar geleden. De tijd waarin ik een marathon kon lopen op elke willekeurige dag en ik tochtjes van 60km door de Ardennen liep als voorbereiding op een wedstrijd, die lijkt voorbij te zijn. Trails winnen of op het podium staan was normaal geworden. En toch was ik mij toen al bewust van de fragiliteit van het leven en heb ik elk moment omarmd. Een chronische heupblessure en een voedselallergie hebben mij gedwongen om mijn verwachtingen bij te stellen. Dat is een proces van vallen en opstaan.
Terwijl ik op de top zat, overviel mij een dankbaarheid dat ik de tocht doorheen de Lofoten heb mogen voltooien zonder pijn aan mijn heup.
Het was oncomfortabel zitten op de top. Smal en gevaarlijk. De eigenlijke kop van Herman was eigenlijk nog een heel klein beetje hoger en verder gelegen. Een vlak van 30 op 30 centimeter waar één persoon juist op kon plaatsnemen. Met de voeten pal naast elkaar welteverstaan. Een deel van mij fluisterde me toe dat ik eigenlijk niet op de top zou hebben gestaan zolang ik niet op dat smalle uitsteeksel had postgevat. Er lag een stapeltje keien op de top. Waaghalzen die dat ook effectief hadden gedaan? Naast de instagramfoto die ongetwijfeld gecapteerd werd, moest de top belast worden met een bewijs van hun aanwezigheid? Ik dacht aan alle mensen die sterven door net dat éne procentje meer te willen, net die ene foto te willen vangen en besloot al snel dat 20 centimeter hoger staan mijn leven beslist niet waard was. Wel kroop ik op mijn knieën over mijn zitrots tot aan de spleet die mij van de toprots scheidde, rijkte eroverheen en wist nét de top aan te raken.
Ha! Toch dat!
Ik was klaar om af te dalen. Ofschoon ik mij had voorgenomen om ruim de tijd te nemen op de top en zelfs te lunchen was het gewoon géén aangename plek om te zitten. Ik zoog de uitzichten nog eens goed in me op en ving de terugtocht aan. Voor het stralende gevoel van de rush kwam een klein wolkje verdriet op. Het besef dat ik spoedig zou terugkeren naar mijn dagdagelijkse bestaan en wellicht weer vele maanden zou verstoken blijven van zulke intense belevingen. De urgentie om voor de inkomende wolken de top te bereiken was weg. Ik had mijn doel bereikt. Het letterlijke en figuurlijke hoogtepunt van mijn tocht. Nu pas voelde ik een doffe vermoeidheid aan mij trekken. Nu pas voelde ik dat ik die nacht slechts 4 à 5 uur geslapen had. En vele nachten daarvoor ook al. De opgestapelde uitputting van 8 dagen met weinig slaap en vele kilometers door zwaar terrein, spoelde over mij heen. Het zou een moeilijke terugtocht worden. Ik besloot de vermoeidheid en de traagheid te omarmen en de landschappen nog eens goed in mij op te nemen.
*********
Die nacht aan Lake Store sliep ik langer dan elke voorgaande nacht en stond pas om 5u30 op. Het was best fijn om eens niet om 3 of 4u 's morgens te ontwaken, misleid door de arctische zomerzon die mijn brein deed geloven dat het tijd was om in actie te komen. Hoewel het erg koud was, wou ik mezelf een duik in het meer niet ontzeggen. Heerlijk! Meteen werd de vermoeidheid van mij afgespoeld en voelde ik het leven in mij bruisen. Toen ik om 7u mijn tocht aanving, was er op heel het kampeerterrein nog geen levende ziel te bespeuren. Ik begon zo langzamerhand te beseffen dat ik echt wel een outlier ben. De eerste uren van de dag ben ik altijd alleen.
De tocht van Lake Store naar Leknes, mijn tweede bevoorradingspunt van de tocht, was een redelijk kort, gemakkelijk stuk dat onder een saaie, grijze hemel werd afgewerkt. Ik liep in gedachten verzonken en zette er stevig de pas in. Ik wilde dit gedeelte gewoon snel afgewerkt hebben. Nog geen drie uur later werd ik omarmd door de buitenwijken van de stad. Na de ontberingen van de dag voordien was ik deze keer erg blij om mij onder te mogen dompelen in de geneugten van het stedelijke leven. Ik liep het eerste het beste tankstation naar binnen en bestelde koffie met een kaneelknurt. Vervolgens nestelde ik mij aan een tafeltje, legde mijn telefoon en horloge aan de lifesuport en goot de halve liter koffie naar binnen. Ik bekeek de volgende etappe, stuurde een teken van leven naar mijn moeder en een berichtje naar mijn lief. Daarnaast bracht ik nog enkele praktische zaakjes in orde en dropte een H-bom van 50 megaton op het toilet. Het opladen duurde lang. Mijn telefoon en powerbank waren na al dat gesemmel nog steeds niet gereanimeerd. Ik slurpte dan maar nog een half litertje koffie naar binnen. Omdat we toch bezig waren, knabbelde ik in één moeite door nog een kaneelknurt weg. Na dik anderhalf uur was ik klaar om te vertrekken. Maar eerst restte mij nog een bezoekje aan de de supermarkt en een outdoorwinkel waar ik een nieuw regenjasje kocht en mijn The North Face-kreng zonder enig sentiment in de vuilnisbak pleurde. In your face, North Face! Snertjas van den os z'n kloten! Er kropen opnieuw koude rillingen over mijn rug wanneer ik terugdacht aan de dag van gisteren. De klamme kou die zich doorheen mijn poriën naar binnen had weten wurmen om haar tanden in mijn botten te zetten. Vandaag zagen de vooruitzichten er wat gunstiger uit. De Lofoten lagen nog steeds te rusten onder een grijs fleecedekentje maar dat zou snel moeten veranderen.
****
De oude man sprak slechts gebroken Engels dat nood had aan een grondige scheerbeurt. Het was moeizaam communiceren maar dat deed er niet toe. Hij was zo vriendelijk geweest om mij op te pikken en er hing een relaxte sfeer in zijn pick-uptruck. Het poedeltje dat tussen ons in zat, vleide zich tegen mijn borst. Normaal gezien heb ik een gloeiende hekel aan zo'n mormel maar nu voelde ik een diepe liefde opgloeien in mijn borst. Vergezeld van een heuse krop in mijn keel. Het kleine gedrocht streek zijn kopje tegen me aan en ik begroef mijn vingers in zijn vachtje. Het beestje spartelde van plezier. Ik wist niet goed wat mij overkwam. Ik voelde me helemaal week, compleet vervuld en verbonden met dat poedelbeest. En vol van liefde.
Had dat onvriendelijke mens van het tankstation XTC in mijn koffie gedraaid?

Nog een lift later zat het obligate asfaltstuk dat twee dagetappes met elkaar verbond erop en ving ik vol van energie etappe 6 aan. Ik lag twee dagen voor op het schema dat ik niet volgde. Ik voelde het tot in mijn kleine teen: vandaag zou het een andersoortige dag worden! Het grijze wolkendek werd dunner, vaal zonlicht sijpelde er doorheen en deed de oceaan glinsteren. Aan mijn rechterzijde rezen steile kliffen op. Het pad wrong zich over een steile richel tussen zee en klif. Met elke meter die ik aflegde, voelde ik mij meer en meer euforisch. Een beetje opgefokt ook. Het liefdevolle gevoel dat ik voor de poedel had gevoeld leek te exploderen en langs mijn vingertoppen naar buiten te stromen. Het landschap en de uitgestrekte zee waren nu mijn onderwerp van admiratie. Een brede grijns verbond mijn twee oren. Het voelde goed maar ook wat bizar. Ik stelde mezelf de vraag of ik in een soort van manische episode was terechtgekomen. Of zou het gewoon de koffie zijn? Ik ben altijd al gevoelig geweest aan cafeïne en misschien heeft een liter koffie na vele maanden van geheelonthouding wel een eufoor effect? Dat en het feit dat ik deze nacht voor het eerste in vijf dagen eens deftig geslapen had.
Met het uitwerken van de cafeïne zakte de extase maar de blijdschap en het voldane gevoel bleven. Hoewel de route niet bergachtig was, was deze wel uitdagend. En schoon! Om de zweetpollen bij af te likken.
******
Het kan niet anders, mensen sterven hier!

Ik zei het luidop. Tegen mezelf. En tegen de loodrecht aanvoelende rotswand. Ik pierde op mijn GPS-horloge om me ervan te vergewissen dat ik niet was afgedwaald. Nee, dit was wel degelijk de route. Met de tippen van mijn voeten vond ik grip op een richeltje van een tiental centimeter breed. Mijn handen klampten zich vast aan de hoek van een rots. De zwaartekracht voelde als een sterke hand die mijn rugzak naar beneden trok. Ik zocht grip met mijn rechtervoet op een puntig miniatuuruitsteeksel, stak één van mijn vuisten in een spleet en testte voorzichtig of deze kramakkelige opstelling mijn gewicht houden zou. Dat deed het. Mijn knie stond in een onaangenaam diepe hoek en het kostte enige moeite om mijn gewicht plus rugzak op één trillend been omhoog te duwen. Pffff! Van zodra ik steun vond met mijn linkertip, zakte mijn opgejaagde hartslag enigszins. Een heftige windvlaag rukte aan mijn rugzak. Ik wankelde. Kak, kak, kak. Ik keek naar beneden en beloofde aan mezelf om dat niet meer te doen.
Ceci n'est pas un sentier.
De beklimming van de rots hing ergens tussen opwindend en beangstigend in. Ik bedacht mij dat dit af en toe toch echt wel eens zou moeten mislopen. Of mensen die hier gewoon niet voorbij geraken. Linkervoet omhoog. Gewicht testen. Vingers tastend op zoek naar grip. En duwen! Ik kreunde. Heerlijk was het wel! Zo tegen die rotswand aangeplakt. Eén verkeerde beslissing, een te harde windvlaag op het verkeerde moment zou mijn einde betekenen. Er is géén ruimte voor gedachten. Geen millimeter marge voor afleiding. Enkel focus.
Een jaaropleiding mindfulness samengeperst in tien minuten.
Boven werd ik overspoeld door een nieuwe golf van euforie. Ik had me al lang niet meer zo levend gevoeld.
De Long Crossing was geen gemakkelijke wandeling, wel een avontuurlijke tocht vol hindernissen.
******
De rest van de tocht verliep wat gemakkelijker. De kilometers tikten vlot weg. Op sommige secties maakte ik stevig vaart, de beklimmingen waren nooit lang. De uitzichten immer feeëriek Ik kruiste enkele Belgische jongelingen met wie ik een praatje maakte. Kempenaren, gokte ik correct.
De dag kende haar einde in het stadje Nusfjord. Rode houten huisjes op palen. Schijnbaar her en der neergezet. Huisjes op stelten, klaar om elk moment de benen te nemen. het geluid van de kakelende meeuwen schalde tegen de kliffen op de achtergrond. Charmant zou de ene zeggen. Een doorzichtige toeristenval zou de ander tegenwerpen. Kitscherige cafétjes en frivole uithangborden ontzenuwden met geweld het authentieke karakter van het dorp. En de meute toeristen. Je bent er zelf deel van, Tim. Altijd moet je dat beseffen. Met dertig kilometer in de benen had ik er best een lange dag opzitten. Ik was moe.
Ik wou zo snel mogelijk mijn tent opzetten maar dat bleek niet zo eenvoudig te zijn. Vooraleer ik aan mijn zoektocht begon, wandelde ik nog een winkeltje binnen om een veel te duur biertje te kopen dat ik bij mijn eten wilde nuttigen. Bleek daar een Belgische vrouw te werken die het Vlaamse Turnhout had achtergelaten voor het bruut geweld van de Lofoten. Ik voelde me een beetje jaloers. Ze vulde mijn drinkflessen aan de kraan.

Rondom het dorp was er eigenlijk geen echte kampeermogelijkheid. Ik wandelde omhoog langs een riviertje omdat ik op de kaart had gezien dat er wat verder een meertje tussen de bergen verscholen lag. Meertjes associeerde ik intussen met kamperen en heerlijk baden. Njet! Buiten een Noorse (?) schone die net een frisse duik had genomen en haar appetijtelijke lijf aan de zon lag te drogen, was er niets interessants te bespeuren. Enkel dichte begroeiing en een plakaat met kampeerverbod op het grasveldje waarop de Noorse schone te rusten lag. Ik vroeg haar om een kampeertip maar werd niet veel wijzer. Ik sukkelde nog wat verder langs de oever van het meer maar droop uiteindelijk af.
Uiteindelijk wandelde ik een kilometer het dorp uit. Aangezien er nergens een kampeerplek te bespeuren viel, speurde ik verder langs het beginstuk van etape 7. Ik was het beu en wilde gewoon tot rust kunnen komen. Na veel zoeken en klooien vond ik uiteindelijk een vlak stukje op de top van een kleine heuvel. Er was nergens water. Niet ideaal, maar bon. Voor mijn water zou ik die avond nog eens heen en weer lopen naar het openbaar toilet van Nusfjord. Terwijl ik -voor het eerst geplaagd door muggen- mijn avondeten naar binnen ploegde en van mijn biertje zat te nippen, zag ik rondom mij nog meer tentjes op niet-zo'n-ideale-heuveltopjes verschijnen. Ik was duidelijk niet de enige.
Eens ik rust vond, werd ik geconfronteerd met vervelende gedachten die al de hele dag doorheen mijn hoofd dwarrelden maar toen nog overschaduwd werden door het euforische gevoel. Die dag had ik contact gehad met mijn lief. In plaats van verbinding hadden onze berichten separatie gebracht. Een knagend gevoel dat al langer aanwezig was, materialiseerde zich in een schreeuwend besef dat ik angstvallig onder water probeerde duwen. Hier zat ik in Noorwegen, intense emoties belevend, het gevoel hebbend dat ik aan het doen was waarvoor ik gekneed ben. En ik kreeg dat gevoel niet overgebracht. In de verste verte niet. We leefden in andere werelden, spraken een andere taal. Echt ver van elkaar zijn, deed me beseffen dat we nooit echt samen waren.
*******
Nusfjord was nog in een diepe slaap verzonken maar het weer was al wakker. De weergoden hadden hun duivels ontbonden. Stroken felblauwe lucht en intense buienlijnen wisselden elkaar in hoog tempo af. Vette bloemkoolwolken kwamen vanuit de zee aangerold en dumpten bakken striemende regen op de kust. Heftige rukwinden gierden door de straatjes en bliezen het zeewater tegen de rotskust aan. Ik zat ineengedoken onder een afdakje een koffie te bereiden. Vlagen regen waaiden tegen mijn rug aan. Fuck, het was koud! Die ochtend had ik met grootse moeite mijn tent weten temmen. Alreeds bij het opstaan had de wind mijn heuveltop gegeseld, tijdens de nacht waren er zelfs enkele piketten losgekomen. Na het opbreken van mijn tent had ik de beschutting van het dorp weer opgezocht om rustig te kunnen ontbijten. Van een diepe slaap was opnieuw geen sprake geweest.
Lusteloos begon ik aan etappe 7. Ik voelde mij afgemat en had er maar weinig zin in.
********
"So, what are you doing back home?" informeerde ik in mijn friet-met-mayonaise-Engels.
"I'm a badminton coach. I get the summers of, which enables me to travel for many weeks."
Frans-brood-met-schimmelkaas-Engels.
"Do you have a girlfriend?"
"Nope, not currently."
Ciriaque verhaalde hoe zijn relaties telkens mislopen van zodra hij gaat samenwonen: "It was a mistake to live together with those women. Now, I'm free to travel."
Ik moest een beetje glimlachen en vertrouwde hem toe dat ik in een prille relatie zat die ik wellicht zou moeten beëindigen. Van zodra ik de woorden voor het eerst uitsprak ten aanzien van iemand anders, werden deze plots realiteit. Akelig.
"Hmmm." zei hij.
"Well, actually I know I should." voegde ik toe. "But I don't want to admit it yet. I would hate to do it."
"Time will tell."
Enkele uren eerder had mijn pad dat van de 37-jarige Fransman gekruist. Normaal wandelde ik bij zo'n ontmoeting alleen verder na een korte begroeting of babbel. Deze keer haakten we onze wagonnetjes aan elkaar vast. Na het uitwisselen van wat reisanekdotes werd ons gesprek gaandeweg wat diepgaander. Etappe 7 was retesaai, daar waren we het roerend over eens. Na een korte passage door lage bergen en langs de geaccidenteerde kustlijn liepen we vele kilometers over een vlakke gravelweg die door een landschap van kale, triest ogende heuvels meanderde. Hoewel we op zeeniveau liepen, groeide er buiten wat mossen en grassen geen vegetatie. In andere delen van de Lofoten zijn er wel kleine bosjes te vinden. Wellicht liet de felle, niet aflatende wind in deze vallei geen begroeiing toe. De sterke bries zou al snel de levenslust wegblazen uit elke kiem die het lef had om hier te ontspruiten . Het was koud, het weer mistroostig en de landschappen vijandig. Het besef dat ik spoedig weer vrijgezel zou zijn, daalde in. Mijn gemoed zakte. Ik was dankbaar dat ik niet alleen was op dit deplorabele deel van de Long Crossing.
Van zodra de gravelweg zich verzoende met de hoofdroute besloten we om het resterende stuk richting de stad Fredvang te liften. De stad leek een projectie van mijn gemoedstoestand te zijn. Leeg, vermoeid, verslagen door weer en wind. We liepen het lokale shoppingcenter binnen. Mijn Franse kompaan bestelde een koffie en ik een biertje.
"It's noon, I'm allowed to start drinking." grapte ik.
Na de nodige proviand te hebben ingeslagen, liften we samen verder richting de start van etappe 8. We zaten in de kampeerwagen van een Duits gezin dat Noorwegen aan het rondtoeren was. De zonen -twee knapen met een hoogblond stronest op hun knikker- keken ons nieuwsgierig aan. Sympathieke lui, maar god, wat stonk het in die wagen! Ingeblikte ongewassenheid op wielen. Ik was zo blij dat de rit slechts van korte duur was.

Na de rit scheidden onze weg. Na ons fijne gesprek op de gravelweg leken we de verbinding met elkaar al snel wat kwijt geraakt te zijn. Ciriaque wist niet goed wat zijn plan voor de dag was. Overwoog om al ergens zijn tent op te zetten. Persoonlijk voelde ik daar niets voor, het was pas 2 uur 's middags en het weer was abominabel. Wat zou ik de hele namiddag zitten doen in de regen? Wat verder kauwen op mijn rondmalende gedachten en mijn gemoed nog dieper laten afglijden? We namen afscheid en met een gevoel van opluchting zette ik mijn tocht alleen verder. Etappe 8 begon met een scherpe beklimming van Ryten, een kale schots en scheve rots die haar best deed om imposant te zijn. Ik voelde een ongemakkelijke onrust en zette er -ondanks het verse gewicht in mijn rugzak- stevig de pas in. De beklimming was klote. Koud, regenachtig en modderig. Het was dabben, glibberen en glijden. Ondanks het slechte weer was de beklimming van Ryten erg populair. Het was druk op de modderglijbaan naar boven. Te midden van de massa voelde ik mij eenzamer dan ik mij ooit gevoeld had tijdens deze tocht. Het gevoel van solitaire verbondenheid dat ik daags voordien nog ervaren had, de extase, was geheel verdampt. Terwijl ik naar boven ploegde, besefte ik hoe bizar de tijd hier verliep. Gisteren -hoe intens ook- leek al weken geleden te zijn. Een zwartwit film uit een ver verleden. Ik probeerde mezelf eraan te herinneren hoe goed het tot nog toe niet was geweest. Het gevaar was dat ik helemaal meegezogen zou worden in het drijfzand van mijn gemoed en dat de hele tocht plots een rotervaring zou worden.
Voor de vorm beklom ik de top van Ryten om daar enkel meer regen en wind aan te treffen. Het was belachelijk om de top te beklimmen, gewoon om het afgevinkt te hebben. Toch deed ik het. Blij dat ik die rotbeklimming achter de kiezen had begon ik aan de spekgladde afdaling. Het enige waar ik nog mee bezig was, was mijn eindbestemming van die dag. Ik had me voorgenomen om etappe 8 volledig af te werken.
*******
Wauw! Een straaltje verwondering brak doorheen het wolkendek van mijn humeur. In de sprookjes zou er simultaan ook een bundel zonlicht doorheen een vakkundig geplaatst gat in de wolken zijn gevallen. Recht op het goudgele strand dat daar zo ongepast lag te blinken tussen de mistroostige rotsen. In werkelijkheid bleef het gewoon doorregenen. Op een stel pijnlijke vermoeide benen daalde ik af richting het stukje paradijs. Hoewel het nog vroeg op de dag was, stonden er al een aantal tentjes op het strand. Toen ik een kwartier later voet zette op het zachte gele zand, vervloog mijn plan om de etappe tot op het einde uit te lopen meteen. Opnieuw zo'n plek die schreeuwde om beslapen te worden. De pusher in mij protesteerde zwakjes. No way dat ik hier NIET ga blijven!


De avond strooide wat warmte en vreugde in mijn binnenste. Het stopte met regenen en de wind begroef haar strijdbijl. De luie arctische zon slaagde erin om het wolkendek boven de zee uit elkaar te knuppelen en koesterde het strand in een flauwe omhelzing. Ik stripte mijn kleren van mijn lijf en stormde in mijn adamskostuum over het strand. Schreeuwend liet ik mij opslokken door de golven. Whaaa! Met tegenzin dook ik kopje onder. Het water was koud maar lang niet ijskoud! Rillend onttrok ik mij aan de branding en zeepte mij van kop tot teen in op het strand. Alsof ik deze godverdomde klotedag van mij wou afwassen. Het was zalig.

Ik dook opnieuw de zee in om mij af te spoelen, droogde mij af en rende weer terug naar mijn tent alwaar ik mijn vochtige lichaam met moeite weer in mijn kleding wurmde. Een huzarenstuk met al het zand dat aan mijn voeten bleef kleven. Op een houten bank die uitkeek over het noordelijke zeewater, ontmoette ik Leo. Een 25-jarige Franse jongeling. We geraakten aan de praat.
Het was een leuk maar een beetje gek gesprek waarin hij de ene na de andere vraag op mij afvuurde. Misschien ontmoeten rare snuiters elkaar gewoon op plaatsen als deze?
"What advice would you give me as someone that is older than me?" vroeg hij op een bepaald moment.
Ik glimlachte en kaatste de vraag terug: "Where do you want to be in ten years? And what would your ten year older self say to you right now?"
Leo verlangde naar een rustig, stabiel leven met vrouw en kinderen. Financiële zekerheid.
Om toch nog advies te geven, lulde ik wat over het leven leiden zoals je dat zelf wil. Het leven dat te kort was om het te leven volgens de blauwdruk van iemand anders. Eigenlijk ben je niet zo lang jong, er is geen reden om tijd te verspillen. Bla, bla, bla!
Na enige aarzeling besloot Leo -ondanks het avondlijke tijdstip- om Ryten te beklimmen en daar van de zonsondergang te gaan genieten. Hij vroeg of ik mee wou. Mijn ziel zei ja, mijn fris gewassen lichaam brulde: nee! Ik bedankte vriendelijk en wenste hem een wonderschoon besluit van de dag toe. We namen afscheid en ik kroop met een vredig gevoel mijn tent in.
Oh, de Lofoten. Grillig in alles. Gul in intensiteit. Een eiland dat bij mij past. Of pas ik bij het eiland? Zelfs op shit-dagen zitten er verborgen parels in de stront die eenieder met een open hart kan zien blinken.
Reacties
Een reactie posten