Lof aan de Lofoten: deel 1 van ?
Ondanks de steeds zwaarder wegende vermoeidheid, bleef ik pushen. Ik negeerde het brandende gevoel van mijn overwerkte spieren die lagen te marineren in een badje van zure botermelk en zette mij af met krachtige, agressieve passen. Ik boorde mijn wandelstokken in de grond alsof ik de berg wilde doodsteken en zette mijn hele bovenlijf aan het zwoegen. Met toenemende ongerustheid zag ik hoe de wolkenvelden langs alle kanten kwamen binnenrollen. Vanuit zuidoostelijke richting schattig ogende flufwoken die zich als een donsdeken over de omringende bergpieken drapeerden. Vanuit het noordwesten meer sinistere wolkenvelden. Woeste donkere penseelstreken van een depressief schilder. De top blonk voorlopig nog in een scherpblauwe heldere lucht, al begon zich boven de piek een schotelvormige wolkenvlek te vormen.
Het was een moeilijk te onderscheiden cocktail van angst en enthousiasme die mijn raketbrandstof vormde. Een herkenbaar gevoel van onrustige gretigheid. Die dunne lijn tussen passie en obsessie. Een gevoel, een drijvende kracht die mij in mijn levensloop tot op de hoogste hoogtes heeft geblazen maar mij evengoed al de diepste dieptes heeft doen kussen. Voor nu omarmde ik het. Was ik dankbaar dat het er was. Datzelfde gevoel had mij die ochtend voor 2u 's nachts doen ontwaken. Had ervoor gezorgd dat ik om 3u 's nachts, doorvoed en met een flinke dosis cafeïne in de bloedbaan, koortsig had koersgezet richting Herman. Vol enthousiasme maar ook angst dat ik het slechte weer niet zou kunnen voorblijven.
Men zegt dan wel dat angst een slechte drijfveer is maar het had er toch maar toe geleid dat ik die ochtend vroeg op de top van Herman zou mogen zou staan terwijl het gros van de mensheid nog lag te stinken in bed.Tenminste als ik nog heel even doorduwde!
800 meter nog. Met nog 400 hoogtemeters dat wel. Verdomme toch. Die wolken kwamen razendsnel maar gingen niet meer. Het leek alsof de tijd werd samengedrukt en de ruimte werd uitgerokken. Minuten voelden als seconden en elke 100 meter leek net een kilometer.
De angst was een ballon in mijn borst die zich langzaam maar zeker opvulde en mijn hart tegen mijn ribbenkast perste. Ik zou te laat zijn! Om 3u 's nachts opgestaan om dan de top in de mist te bereiken. Klote! De negatieve gedachten vormden hun eigen wolkendek en wierpen een donkere schaduw over mijn ziel. Ik probeerde mijn aandacht in het moment te brengen en keek rondom mij.In de diepte een donkerblauw meer. Rechts van mij de schots en scheve scheermesbergen van het Lofotodden Nasjonalpark. Elk uniek in een eigen bijna onaardse schoonlelijkheid. De diepere horizon een vijandige krokodillengrijns. De arctische zon die intussen al lustig aan haar flauwe, langgerekte tocht rondom de horizon was begonnen stond laag boven de wolken. Ik dacht terug aan mijn beklimming van Munken. Die ochtend had ik op weg naar Herman namelijk al een andere -iets lagere- berg beklommen. De klok had net 5 uur aangetikt en de zon was niet meer dan fletse oranjerode schijf geweest die de tandachtige bergen omarmde in een warme gloed. Het halfduister had de donkere granieten pieken extra karakter gegeven.
Ik had daar vol verwondering staan gapen naar het onherbergzame landschap, mijn borst gloeiend van dankbaarheid en vervulling. Ik leefde! Hiervoor ben ik geboren!
******
******
Al die mensen waarmee ik kortstondig maar betekenisvol mijn levenslijn verstrengelde. Ik zou stuk voor stuk een woordportret aan hen willen wijden maar dat lukt niet. De taxichauffeur die zijn lege taxi en verlangen naar gezelschap wist op te vullen met deze Belgische toerist die zichzelf liever reiziger noemt. Hij had iets psychopathisch, al was hij wel vriendelijk. Mads, leeftijdsgenoot en vader van een evenzo sensitieve dochter. Onze verhalen vierden een feest van herkenning met elkaar. Hij gaf me z'n telefoonnummer opdat ik hem na afloop van mijn tocht zou kunnen contacteren, wat ik ook deed. De getatoeëerde sociaal werkster wiens energie aanvoelde als een frisse wind. Het vermoeden rees dat ik uren met haar zou kunnen praten en het risico liep om verliefd op haar te worden. En tot slot de schapenboer, naam niet meer bekend.
We zaten nog geen vijf minuten met elkaar in zijn net niet muffende vierwieler en hij vertelde me over zijn chronisch zieke vrouw -MS- wiens bed haar wereld en universum was geworden. Deze man droeg het juk van de mantelzorg met liefde en mildheid. Bij het uitstappen verzekerde ik hem dat het ok was om zich hier ronduit klote bij te voelen, dat relativeren en sterk zijn niet altijd moeten. Ik sprak deze woorden tussen twee teugen verdacht smakend water in. Water dat ik uit een lege wijnfles naar binnen gulpte. Blijkbaar had ik te weinig vocht mee. Ik had gerekend op de Noorse bergriviertjes voor mijn watervoorziening maar de schapenboer liet mij weten dat er tijdens het eerste deel van mijn tocht geen hemelvocht te vinden zou zijn.
Gelukkig schonk hij me wat water. Met een smaakje erbij.
Met een lauwe gloed van dankbaarheid in mijn borst begon ik aan mijn tocht. Al die verhalen. Ook daar doe ik het voor, dat zogenaamde reizen. Het liften. Hoe mensen soms op een korte rit de emmer diep in de put laten zakken om daar hun meest kwetsbare verhalen op te diepen. Het laat me denken dat ik iets betrouwbaars uitstraal. Of misschien toon ik de juiste hoeveelheid interesse, gekoppeld aan een zeker respect, verpakt in een spontane vraag? Het schurkte intussen tegen de middag aan en de zon stond zo hoog in de hemel als een arctische augustusdag dat toelaten kon. Het was ronduit warm, zo'n 27 graden met een grotendeels blauwe lucht erbij. Heel Scandinavië kreunde al weken onder een hittegolf, het was hoogzomer en mensen lagen te zonnen op de Arctische kusten. Ik bleek mij in het staartbeentje van die hittegolf te bevinden, al wist ik ook dat toen nog niet.
*****
Intussen had ik het asfalt verlaten en bevond ik me op een smal bergpad dat erg zijn best deed om de kust zo snel als mogelijk achter zich te laten. Meteen drong het tot mij door dat dit geen gemakkelijke tocht zou worden. Ik herinnerde mij de woorden van Wouter, mijn broer, die de tocht enkele jaren eerder had afgelegd. Hij was mijn inspiratiebron geweest. "Het gaat wel altijd steil naar omhoog." had hij droogjes gerepliceerd toen ik een nogal ambitieus plan voorlegde waarin ik de tocht bijna dubbel zo snel als gebruikelijk wilde afleggen. Hmmm, ok. Het was druk op het wandelpad. Vlak achter mij liep een gezin in loopkleding, de blonde dochters gehuld in korte broekjes en sporttopjes. We liepen ongeveer even snel. Ik voelde me wat opgejaagd. Ik ergerde me aan mijn eigen gejaagdheid. En mijn gejaagdheid laafde zich aan mijn ergernis. De laatste tijd probeer ik radicale eerlijkheid toe te passen. In de geest van deze radicale eerlijkheid vroeg ik aan mezelf waar dat gejaagde gevoel vandaan kwam. Het oncomfortabele maar eerlijke antwoord luidde dat een stuk van mij deze tocht als een wedstrijd zag. Ik wilde sneller zijn dan het gezin achter mij. Ik wilde aan mezelf bewijzen dat ik deze tocht sneller dan de gemiddelde wandelaar kon afleggen, wilde vandaag nog een dubbele etappe afleggen en voelde mij onder druk gezet omdat het al zo laat op de dag was.
Fuck zeg, klote! Komt die prestatiedrang hier mijn plezier een beetje verpesten. Mijn aandacht afleiden van waar die echt moet zijn: de wonderschone uitzichten, de snel wegzakkende azuurblauwe kust. Noordkust. Niets dan water en dan het poolijs. Al is dat laatste nog een eindje weg. Gewoon het idee.
Prestatiedrang: het is een godendrank en tegelijkertijd een donker vergif. De schaduwkant van een gezonde gedrevenheid. Eens betrapt en blootgelegd was de uit competitiedrang geboren gejaagdheid nog zeker niet weg, maar wel niet langer de kwelduivel die het had kunnen zijn. Al vele jaren stel ik mij de vraag waar een gezonde gedrevenheid eindigt en plaats maakt voor ongezonde coping en overcompensatie.
Het duurde niet lang vooraleer de berg al deze mijmeringen uit mijn kop kneep, samen met een lading zweet en een sonnet van gepuf en gehijg. Mijn zware rugzak leek mij de grond in te willen trekken. Na nog geen kwartier stappen, klimmen, klauteren was ik doorweekt van het inspanningsvocht. Wanneer ik niet veel later boven de boomgrens uitkwam en ik vrij zicht had over de oceaan en de bergen, verstilden mijn gedachten nog verder. Ik stouwde mijn lunch naar binnen en zette mijn tocht al gauw weer verder. Hoewel het nog steeds warm was, waaide het verschrikkelijk hard op de bergkam. Mijn brillekijkers kwamen zowaar los van mijn smoelenbak. Heftig zeg! De meeste dagwandelaars had ik intussen in mijn zog achtergelaten. Ik passeerde een Zweedse kerel die ook aan de doortrek van de Lofoten bezig was. We wisselden enkele woorden uit. Het was de eerste van vele ontmoetingen en hem zou ik nadien niet meer terugzien.
*****
Wat volgde was een tocht over een berggraat die naar een bergtop leidde, gevolgd door een steile afdaling. De schapenboer had overschot van gelijk gehad. Water was nergens te bespeuren en intussen was ik al lang door mijn halve litertje heen. Ik moest stilaan aan mezelf toegeven dat ik verging van de dorst. Na vele uren kon ik eindelijk mijn waterfilter bovenhalen en me laven aan een klein maar fris pisstroompje dat tussen de overgroeide rotsen kabbelde. Het tikkelende water maakte nauwelijks geluid maar voor mijn dorstige ziel klonk het oorverdovend. Een kwartier lang hoorde ik het al maar kon ik het nergens bespeuren. Tot op het punt waarop ik dacht dat het een door mijn dorst gefabriceerd fantoomgeluid moest zijn. Tot ik het eindelijk ook echt van tussen de struiken tevoorschijn zag komen.
Aaaah. Heerlijk!
Tijdens het drinken -zuipen!- kwam het Zweedse gezin -blonde dochters in kort sportcellofaan- mij opnieuw voorbij gewandeld.
De eerste etappe van de Loftentrail werd besloten met een stuk van 3 kilometer over gravel en asfalt waarop ik stevig tempo maakte. Ik bereikte de camping die op de website van rando-lofoten werd gesuggereerd als overnachtingsplaats. Het was echter nog maar 4 uur in de namiddag en ik had het gevoel nauwelijks iets gedaan te hebben. O rusteloze ziel. Eigenlijk was ik best moe en schreeuwde mijn rug al van de pijn. Mijn bekken en rechterheup zonden verontrustende signalen uit. Een zeurend gevoel dat mij deed vermoeden dat het impingement in mijn rechterheup al kreunde en jammerde onder de belasting van de steile hellingen en de zware rugzak. Een ongerustheid maakte zich van mij meester. Sedert enkele jaren sukkel ik met de symptomen van een kleine inklemming in mijn heupgewricht. Wellicht is het aangeboren afwijking die pas de laatste jaren -na een lange periode van ultrasport- van zich laat horen. Vaak heb ik er maandenlang geen last van, waarna het even plots maar steeds minder onverwachts kan toeslaan in de vorm van een snerpende pijn die mij volledig lam legt. Een operatie werd mij voorlopig afgeraden. Oh nee, het zou toch niet? Iets in mij zei me dat het verstandiger zou zijn om deze dag af te sluiten. Per slot van rekening had ik nog geen vier uur geslapen, vijf uur gelift en nu toch al 12km met een slordige 900 hoogtemeters in de benen. Veel mensen zouden dat voldoende vinden. Ik luisterde niet, goot in de plaats daarvan een halve liter sprite in mijn maag, vrat een zak chips leeg en ving dag 2 van de tocht alvast aan. Vastbesloten om deze vanavond te beëindigen. Al snel liet ik de camping met al haar geneugten achter mij.
*****
Hoewel ik een sterke pusher in mij heb huizen, ben ik de laatste jaren niet langer doof en blind voor mijn gevoel. Na een lange aanloopstrook over asfalt, gevolgd door opnieuw een steile klim doorheen een lap bos bereikte ik meer open alpien terrein. Het was al vroeg in de avond en er was geen mens meer te bespeuren. Toen ik voorbij een helder bergmeer -ingebed in een knusse bergkom- kwam gestruind, schreeuwde die plek om beslapen te worden. Fuck mijn plan -of obsessie zo je wil- om twee dagetappes in één namiddag te stouwen. Het was goed geweest. Met een gevoel van opluchting kwakte ik mijn rugzak op de grond en begon ik aan het opzetten van mijn tent. Een routine die ik nog vele dagen zou herhalen. Een rustgevende routine. Een koude wind blies over het meer, de adem van de bergen. Aan de overkant lag er nog sneeuw op de oever, een getuige van de winter die ternauwernood de zomer had weten te overleven. Hoewel het nog steeds als hoogzomer voelde, had de lucht een loodgrijze tint aangenomen. Een weinig later begon de lucht te wervelen en rook het naar nakende regen. Ik haastte me om de spullen die ik had uitgelegd om te drogen in de tent pleuren.
Plots gingen de hemelsluizen open. De Lofoten, aangename kennismaking. Na een kwartier zweeg de tegen het tentzeil tikkende regen en was het weer opgeklaard. Het weer was hier even wispelturig als een borderline patiënt. Ik at mijn eenvoudige avondmaal van pasta en linzen en maakte mij net klaar om me terug te trekken in mijn tent toen ik twee mensen -een koppel- de tegenoverliggende bergflank zag opklimmen. Ik had zelf al eerder met het idee gespeeld maar voelde me te moe en wou de pusher in mij niet teveel ruimte gunnen.
Niet doen, niet doen, zei ik luidop tegen mezelf.
Dertig seconden later: fuck it, een mens leeft maar één keer.
Ik stormde naar boven en haalde het koppel dat bijna de top had bereikt in na enkele minuten. Niet veel later stonden we samen op de top. Het bleek een Duits koppel twintigers te zijn. Ik bedankte hen lachend voor de inspiratie. Ik voelde me een indringer. Waarschijnlijk hadden zij gehoopt om samen een romantische zonsondergang te savoereren en dan kwam daar ineens die onnozele Belg de sfeer verpesten. Ik verzekerde hen dat ik snel even van de uitzichten kwam genieten en hen daarna de nodige ruimte zou geven.
"Het is ok," zei de man. Geen idee in welke mate hij dat ook echt meende.
We vergaapten ons samen aan het landschap. Een orgie van puntige bergen, meren en fjorden. Onmogelijk om de samenhang van het landschap te ontcijferen. Alles was een lappendeken van water en bergen. Wat was fjord, wat was meer? Wat was de volle zee of slechts een fjord in een fjord. Of een inham. Het viel niet te zeggen en dat hoefde ook niet. Het enige wat mij te doen stond was om al die indrukken op mij te laten inwerken, zonder ze te willen bevatten of begrijpen. Kleuren, geuren en de innerlijke ervaring. De arctische zon die dweepte met de noordelijke horizon.
Het was niet te geloven dat ik hier nog maar één dag was. Dat het minder dan 24 uur geleden was dat ik voet had gezet in Noorwegen. Echt niet. Het leek alsof er een week was samengeperst in één dag. Een week aan emoties en indrukken. Fucking wauw! Ik zei goedenacht aan de Duiste tortelduifjes die in elkaars armen maar het flirtspel van de zon lagen te gapen. Vervolgens huppelde ik naar beneden. Onderweg naar mijn tent dacht ik aan mijn eigen lief. Ik verlangde naar haar maar voelde tegelijkertijd het besef dat ik met haar nooit op zo'n afgelegen bergtop naar de noordelijke zon zou zitten kijken. Het was een oncomfortabel gevoel dat ik snel wegduwde.
Hoe graag ik ook had gewild dat ik na zo'n lange uitputtende dag (20km, 2000 hoogtemeters en 7 uur onderweg) in een diepe lange slaap zou sukkelen, de waarheid was dat ik slecht en kort sliep. Ik was nog niet gewend aan de harde ondergrond, het geritsel van mijn tent en de eeuwig durende dag.









Reacties
Een reactie posten