Lof aan de Lofoten deel 2


Mijn hart liep sneller dan mijn voeten. Ik dwong mijn uitslaande gedachten in een korset en probeerde helder en methodisch te denken. De steile helling was overgegaan in een slordig opeengestapeld kluwen van rotsen. Alsof god er op een bepaald moment genoeg van had gekregen en uit gemakzucht maar een hoop stenen op de anders zo gestileerde berg had gekwakt. Om toch maar boven die 1000 meter uit te komen. De top bestond namelijk uit grote, vervaarlijk tegen elkaar aanleunende rotsblokken en -platen, met ertussen diepe spleten waarin een mager, relatief klein mannetje als ik gemakkelijk verdwijnen kon. Opgeslokt door Herman, stel je voor. Mijn wanhopig gekrijs zou versmelten met de niet aflatende Lofotenwind. God die een scheet laat van het lachen. Herman die er onverschillig bij zou grijnzen. De klootzak. 

Met beide handen en voeten klauterde ik naar boven. Ik voelde mij enigszins gespannen. Gestrest. Soms vond ik slechts na veel tasten een klein ribbeltje op een gladde rotsplaat waar de tip van mijn schoen ternauwernood grip op vond. Testen of het bestand was tegen de lokroep van de zwaartekracht, de handen tastend naar houvast en vervolgens afduwen met een zucht. De inspanning leverend, zakte de grond weer een metertje dieper weg onder mijn toegeknepen billen. Een moment lang vertrouwde ik mijn lichaamsgewicht toe aan twee bedenkelijke contactpunten en was één misser voldoende geweest om mij een paar honderd meter naar beneden te doen zeilen. Dit scenario herhaalde zich een aantal keer totdat ik bijna helemaal boven was. 

Mijn gedachten zwaaiden uit naar mijn kinderen. Een stuk in mij vroeg zich luidop af of het nog wel ok was om als vader te liggen klooien op gevaarlijke rotspartijen en glibberige hellingen. Ben ik hier niet te oud voor geworden? De waarheid is dat ik me piepjong voel als ik zulke dingen doe. Alsof ik sinds mijn twintigste geen dag ouder ben geworden. Het plezier en het enthousiasme zijn er niet minder om. Wel integendeel. Op die leeftijd vond ik het allemaal maar vanzelfsprekend en was het nooit genoeg. Waren mijn gedachten al bezig met het bestijgen van de volgende berg als mijn lijf nog tegen de vorige aanplakte. Hoewel ik de pusher in mij wellicht mee zal nemen in de crematiekamer, staat genieten nu wel in mijn woordenboek. Ik kan nu wel vervuld geraken, het genoeg vinden, dankbaar zijn. De wind voelde echt, een gevoel van dankbaarheid dat ik bijvoorbeeld een neus op mijn koppige hersenbol heb staan -kan ruiken!- kan me soms zomaar overvallen. 





Nu snoof ik vooral de geur van mijn eigen inspanningssappen op. Ik stonk. Het reetzweet had zich intussen een weg langsheen mijn bilspieren gebaand. 

Kwak! 

Ik strompelde en ik viel. Mijn gedachten waren nog niet weggewaaid en daar maakte ik toch wel een stuntelige schuiver.



Een gesmoorde vloek perste zich doorheen mijn opeengeklemde lippen. Godverdomme! 


In een reflex had ik mijn wandelstokken dwars over de spleet gegooid, steunde er met één arm op zodat ik net niet in één van Hermans gapende muilen verdween. Het zou ook gewoon toeval kunnen geweest zijn. Toeval, de hoek waarin je toevallig net je wandelstokken vast hebt, het verschil tussen een moment van gêne en het vervroegd op pensioen gaan van de pusher in mij. 



********

Het moet zijn dat er ergens in mijn bloedlijn de genen van een haan werden gemorst. Het was nog geen 4 uur 's morgens en ik voelde het al kraaien in mijn binnenste. Mijn schouders voelden beurs van het torsen van mijn rugzak en het beslapen van een te dun matje. De zeurende pijn in mijn bekken was echter verdwenen! Ik was nog moe maar een kloppend enthousiasme pulseerde doorheen mijn aderen. Het eeuwige licht hielp niet, dus stond ik maar op. Mijn eerste bergontbijt in veel te lange tijd: havermout met water uit het meer en een kwak kristalsuiker erbovenop. Het ronkende geluid van mijn bezinestoofje. Vrede! Eenvoud! De dag kon niet vroeg genoeg beginnen. Om 5u30 alreeds, schouderde ik mijn last en begon ik aan dag 2 van mijn doortocht. 

In stilte nam ik afscheid van het meer, een weinig later passeerde ik het tentje van de Duitse tortelduifjes die wellicht de eerste uren nog niet uit hun knusse nestje zouden kruipen. Ofschoon ik erg kan genieten van het solo-reizen, voelde ik me ergens toch ook wel een einzelgänger. Wat volgden waren enkele kilometers in dalende lijn, de berg weer af. Dwepen met de oevers van een fjord. Dan ging het in principe weer omhoog, wederom de bergen in. Ik maakte echter een ommezwaai langsheen Svolvaer, één van de grootste nederzettingen die de Lofoten rijk zijn. Hoewel de archipel een woest gebied vormt, een stekelig zeemonster in de Noorse zee, bevond ik mij gedurende de gehele tocht nooit écht ver weg van de bewoonde wereld en waren er voldoende mogelijkheden om te bevoorraden. Ik had op voorhand al besloten om van elk van die gelegenheden gebruik te maken. Op die manier kon ik zo licht mogelijk reizen. Mijn rugzak was sowieso al een juk dat zwaar genoeg woog. De keerzijde was dat ik 5km extra moest wandelen doorheen de straten van de stad om het shoppingcenter in het centrum te bereiken. 

Ik slofte door de buitenwijken van Svolvaer. Nauwkeurig getrimde voortuintjes vormden een eerste verdedigingslijn tegen de kwade, wilde natuur die de stad langs alle kanten omgaf. Witte houten huisjes. Een jogster die haar ochtendloopje tussen bed en werk wist te prangen. Een vader in polo en korte broek die twee dreumessen zijn SUV in loodste. Een vuilzak die net niet te laat de stoep werd opgekegeld. Een moeilijk te plaatsen gevoel van tristesse welde in me op. Het gevoel dat ik mijn tocht -door de natuur te verlaten en mij te laten opslokken door de stad- in twee had gebroken. Alsof ik op valsspelen werd betrapt. Deze sensatie werd alleen maar sterker naarmate ik dieper de stad in drong. De zilte geur van de oceaan was alomtegenwoordig. Het gekakel van de zeemeeuwen trilde de lucht aan flarden. Ik voelde me melancholisch. Was ik echt nog maar een dag onderweg geweest? Twee blitznachten onder de lichtgrijze poolhemel. 

En ook: het besef dat mijn gevoel een goede gids was geweest. Vanzelfsprekend. Correctie: het besef dat ik er goed aan had gedaan om te luisteren naar mijn gids. Na het verlaten van het meer was ik geen enkele kampeerplek meer tegengekomen. Enkel een smal pad over grillige rotspartijen en eens in de vallei voor de stad niets dan zompige toendra die het fjord omzoomde. Man man, wat zou ik mezelf gisteren vervloekt hebben als ik er niet voor had gekozen om bij het meer te slapen. 

*******

Opgefokt van de cafeïne hees ik mijn rugzak op mijn rug. Ik voelde me gehaast om het shoppingcenter te verlaten. Deze ambivalente dans van aantrekken en afstoten zou zich doorheen mijn tocht nog menigmaal mogen herhalen. Ondanks de tristesse had ik mij vol gretigheid aan de koffie van de naast de winkel gelegen koffiebar gelaafd. Refil na refil. Een klein litertje koffie, het laat een mens niet onberoerd na vele maanden van totale onthouding. Ik had in geen half jaar een druppel cafeïne aangeraakt. Dat had mij eerst wel twee weken van tergende ontwenning met een niet aflatende craving en milde depressieve symptomen gekost. Twee nachten kamperen, meer was er niet nodig om dat allemaal in een wip en een flik weer weg te gooien. Al bij de eerste slok wist ik dat het beslist niet bij die ene koffie zou blijven. Ik deed zelfs de moeite niet om mezelf iets anders te proberen wijsmaken. 

Tijdens het koffiedrinken en het shoppen -brood, confituur en bananenchips- legde ik mijn sporthorloge en slimme, doch steeds dementer wordende telefoon aan het infuus. Eens de batterijen letterlijk en figuurlijk weer opgeladen waren, kon ik mezelf niet snel genoeg weer uit de voeten maken. 

Maar niet zonder eerst de lokale pot volledig onder te schijten. De kernexplosie op Nova Zembla van oktober '61 viel er geheel bij in het niet. Mijn gevoelige darmen en koffie, het is nooit een vredig huwelijk geweest. 

*******

De eerste kilometers van etappe 3 -etappe 2 eindige nabij Svolvaer- liepen over vlakke paden langs een langgerekt meer. De zon scheen krachtig op mijn bol en de temperaturen sloofden zich uit. Ik kon welhaast huppelen van vreugde. Het leven was echt beter mét cafeïne in de bloedbaan. Ik maakte stevig tempo en zag deze sectie een beetje als gratis kilometers. De prijs zou later nog aangerekend worden. Na een lunch van donker brood, geplaveid met tahin en confituur, begon ik aan de klim van de dag. Het hoogteprofiel van de Lofotentrail leek voorlopig een vast patroon te volgen: een vlakke aanloop gevolgd door een retesteile klim, waarna welhaast onmiddellijk een dito afdaling volgde om tot slot weer met een vlakke verbindingsstrook te eindigen. 


Had ik niets gezegd over een prijs die later nog verrekend zou worden? Dan was deze helling een rinkelende kassa. Zoals gewoonlijk wond het pad er weinig doekjes om maar dit was toch van een heel andere orde. Na een korte, nog vrij milde passage doorheen de bossen, wurmde de wegel zich langs een verroeste pijpleiding in een hoek van 70 graden over grote rotsplaten. De enige manier om boven te geraken waren enkele ziek ogende touwen die langsheen de pijpleiding waren gespannen. Ik durfde er de optelsom van mijn lichaamsgewicht en mijn rugzak niet aan toe te vertrouwen maar er was geen andere manier. Met snedige rukken trok ik mezelf naar boven. Puffend en blazend als een afgemat boerenpaard. Rare jongens, die Noren, bedacht ik mij tussen twee ademhappen in. Het zweet gutste intussen over mijn lijf. Switchbacks kennen ze hier gewoonweg niet. Altijd leek het pad de kortst mogelijke weg naar boven te nemen, ongeacht hoe moeilijk of gevaarlijk dat voor de gebruiker ervan zou zijn. Een tweede gedachte luidde dat ik dit snertweggetje voor geen goud in de regen had willen nemen. Spekglad moest het hier dan zijn. Af en toe herinnerde ik mezelf eraan om van de mooie uitzichten genieten, wat geen sinecure was met mijn aangeslagen binoculair én het transpiratiewater dat in mijn ogen prikte. 

Het meer met haar brede grindpaden zonk dieper en dieper weg onder mijn zweetstinkers. De rotsflanken die zonder omhaal vanuit de zee oprezen, leken bozer dan voorheen. Svolvaer zag zichzelf omringd door een rot gebit van granieten pieken. Toen ik mezelf eindelijk naar boven had gehesen,  kruiste ik een Nederlandse jongedame met wie ik even een praatje maakte. Je pikt ze er zo uit aan de hand van hun romige tongval. Net zoals zij mij er meestal uitpikken. Je mag dan nog zo je best doen om een gepolijst Engels ten berde te brengen, mijn friet-met-mayonaise-accent is en blijft onmiskenbaar. 

******

De uren die volgden gingen door glooiend alpien terrein doorspekt en dooraderd met meertjes en riviertjes. Ik kruiste erg veel medehikers die de route in omgekeerde richting aflegden. Soms werd het mij echt wat te druk. Op zo'n momenten was het goed om mezelf eraan te herinneren dat ik een even groot deel van die drukte ben als elk ander. Mijn hoofd was redelijk leeg al zal ik nooit iemand zijn die in staat is om een gedachtenvacuüm te ervaren. Er cirkelt of draait altijd wel iets rond in mijn overactieve kop. Maar vandaag dus niet zo heel erg veel, ook niets bijzonders. Ook mijn emoties vormden kalme golfjes die zachtjes tegen de oevers van mijn ziel klotsten. De uren en de kilometers gleden voorbij. Er volgde een lage bergpas die uitgaf op een afdaling die ik toen nog afschuwelijk vond. Ik had niet kunnen vermoeden dat dit slechts een lachertje was in vergelijking met wat er de komende dagen nog zou volgen. Modder, gladheid in het kwadraat. Het was sukkelen en glijden richting het fjord dat beneden lag te wachten. Geduldig. Onverschillig toekijkend hoe dat steeds gefrustreerder gerakende mannetje zich een weg naar beneden sukkelde. Wandelstokken die soms onverwachts volledig in de drek verdwenen waarna een tuimelperte bijzonder moeilijk te verijdelen was. De schoenen waren in een mum van tijd volledig doorweekt en de moos hing tot aan mijn knieën. 

Eens beneden sloeg een andere, meer vertrouwde kwelduivel toe: dorst. Alweer had mijn verkeerde beeld van de Lofoten ervoor gezorgd dat ik onvoldoende levensvocht had meegenomen. In mijn fantasie was Noorwegen één en al watervoorziening: meertjes, riviertjes en watervalletjes. Elfjes die lustig rondfladderen in de verfrissende waternevels. In de realiteit waren de Lofoten -althans dit gedeelte- soms kurkdroog. Er zijn geen gletsjers. In augustus is alle sneeuw -op een klein schaamvlekje na- immers volledig opgepeuzeld door de niet ondergaande zon. De bergen zijn hier te laag én tegelijkertijd veel te dramatisch steil om de sneeuw van de ene winter naar de andere mee te nemen, zodat gletsjervorming onmogelijk is. 

Waar zou het water dan vandaan moeten komen? 

Over elfjes gesproken, ik kon er wel eentje gebruiken dat zo genadig was om op mijn tong te zeiken. God, intussen was ik zo dorstig geworden dat ik ook vrede zou kunnen nemen met een trol. Het fjord -met zijn gigantische ondrinkbare massa- lag treiterig te blinken in de zon. Ik kruiste een collega wandelaar en vroeg haar of ik de komende kilometers nog water zou tegenkomen.

'Nee,' antwoordde ze. 'Enkel een héél klein stroompje.'

Fak, fak, fak en nog eens fak! 

Intussen had mevrouw dorst gezelschap gekregen van meneer honger. Mijn humeur zakte pijlsnel naar beneden. Ik voelde me slap en prikkelbaar. Ik ging zitten en werkte tegen mijn zin een lading bananenchips door mijn droge strot. Pffff. 

Gelukkig had mijn collega een al te pessimistisch beeld geschetst. Ik kwam inderdaad eerst een klein pisstroompje tegen dat er zo ziekelijk uitzag dat ik mij nog eerder zou gelaafd hebben aan de urine van een stervend schaap maar niet zoveel later zag ik een klein maar helder stroompje, enigszins verscholen tussen het struikgewas. Ontbering is de moeder van het grootste genot. Hoe een simpele teug water tot intense gevoelens van bevrediging kan leiden. Een handeling die in het dagelijkse leven talloze keren zonder enig gevoel wordt herhaald. Kleine, schijnbaar onbenullige maar essentiële zaken, kregen hier opnieuw het gewicht die ze verdienen. Sensaties en emoties kregen hier een duidelijke en ongecompliceerde betekenis. Dorst, de representatie in mijn bewustzijn van een lijf dat iets tekort komt. Genot, opluchting. Mijn lichaam dat weer krijgt wat het nodig heeft om te overleven en dat in mijn geest projecteert. Emoties zijn niet anders. Het zijn onze drijfveren. Het lichaam lijkt soms een zelfstandig opererende machine met een bewustzijn dat ervaart. En een brein dat bij alles wat er gebeurt een narratief verzint om coherentie aan de chaos van het bestaan te verlenen. Soms krijg ik -wanneer ik praat- de vreemde gewaarwording dat de woorden gewoon uit mijn mond stromen. Ik kies ze niet ze echt zelf, wat dat zelf ook moge zijn. Mijn bewustzijn neemt waar wat ik zeg. Een mens kan soms gek worden van zulke gedachten.

Met hernieuwde moed vinkte ik de laatste vlakke kilometers van etappe 3 af. De humeurmeter stond weer in het groen. Er volgde een verbindingsstuk over asfalt van een dertiental kilometer dat het best van al gelift kon worden. In mijn zog liepen twee Franse jongedames waarmee ik mij samen aan hetzelfde stroompje had gelaafd. Ja, het was soms echt druk op de trail. Thans stonden we samen op hetzelfde stuk weg te liften.

"Peking express!" riepen ze mij lachend toe. Ik glimlachte. Bestond dat ook in Frankrijk?


Een weinig later werd ik opgepikt door een Zweedse jongeman en mocht ik mezelf winnaar van Peking Express noemen. Het was mijn bedoeling om alvast een klein stukje van etappe 4 aan te vangen en bij de eerste de beste kampeerplek mijn tent neer te gooien. Maar niet voordat ik in een lokaal cafétje in Vikjorden een biertje en een sprite had achterovergeslagen. Ik was niet de enige. Er zaten nog een handvol hikers -onder wie een vriendelijk koppel met wie ik een kort maar fijn babbeltje had- en de Franse verliezers van Peking Express die een kwartiertje na mij arriveerden. Er werd over het weer gepraat. Er was die nacht namelijk storm en onweer voorspeld en ook de komende dag zag er ronduit grimmig uit. Ik besloot niet teveel tijd te verspillen en ging als eerste weer op pad. Na een tiental minuten wandelen, zag ik een afgevlakte knobbel langs een groot meer. Wauw, deze plek schreeuwde weer om bekampeerd te worden. Zonder aarzelen hield ik halt. Nadat ik mijn huis voor de nacht had gebouwd, nam ik een bad in het meer. Ik vond een soort van gat tussen de rotsen waarin ik in gehurkte toestand mijn hele lijf kon laten opslokken door het water. In tegenstelling tot mijn bad in het bergmeer, was het water mild van temperatuur. Gisteren had de koude haar tanden in mijn voeten gezet en mijn ballen in dubbele knoop gelegd. Waar ik toen had gekrijst van ellende ontsnapte er nu een langgerekte zucht aan mijn lippen. Langzaam liet ik de vermoeidheid van mij afglijden. Het was een stevige dag geweest met 28km en 900 hoogtemeters. Ik ging rechtstaan en sopte mijn hele lijf in met biozeep. 

Fris gewassen en met schone kleren aan mijn huid at ik mijn gortdroge pasta met hongersaus op aan het meer. Ik voelde mij vredig en compleet. Minder vredig was de rusteloze lucht die begon te wervelen en de belofte van regen ademde. Ik wist nog net mijn afwas te doen en dook daarna snel mijn tent in. Meteen daarna begon het te kletteren. De gevreesde storm bleef uit die nacht maar het zou wel onafgebroken blijven regenen. En stevig waaien. 




*******

Het leek erop dat ik met mijn nachtrust weer in een toxische relatie was beland. Een wufte dans van aantrekken en afstoten. Ik kreeg haar maar niet te pakken. Af en toe een kus. Een koestering. Dan weer het geklater van de regen op mijn tent. De wind die tekeer ging tegen en onder het tentzeil. Om 4u gaf ik het op en aanvaardde ik dat ik het die dag met enkele uren van gebroken slaap zou moeten doen. Het feit dat het even was gestopt met regenen, maakte het ook ondraaglijk om te blijven liggen, tevergeefs wroetend en zoekend naar iets dat zich duidelijk niet wou laten vangen. Dan kon ik de matineuze uren maar beter optimaal gebruiken door mijn tent op te bergen en een ontbijt te nuttigen in droge condities, en misschien zelfs nog enkele uren te genieten van de uitzichten. Om 5u30 had ik mijn ochtendroutine afgewerkt en ging ik op pad. Heerlijke ochtendroutine. Eerlijke routine, de zaken tot hun essentie herleid. Het slaaptekort kon me geen ruk schelen. Ik voelde de energie stromen. 

De vegetatie was kletsnat en bezwangerde mijn kledij met water. Binnen enkele tellen was ik doornat. Ik besefte dat ik gisteren geluk had gehad. De kampeerders die na mij waren gekomen hadden stuk voor stuk kilometers verder moeten stappen om dan een minderwaardige kampeerspot te vinden op de hobbelige en zompige oever van een meer. Het maakte mij met terugwerkende kracht nog dankbaarder. 

De eerste kilometers waren zoals gebruikelijk weinig diplomatisch. Bergop ging het, rechttoe rechtaan richting een bergtop die haar piek begraven had in een vette wolkenbuik. De hemel was loodgrijs en de wolken zeilden als dreigende drakars over het hemelgewelf. Klaar om oorlog te voeren. Af en toe wist een flauw ochtendzonnetje de oorlogsvloot wat uit elkaar te knuppelen en danste er een bundel flets zonlicht over het grijsbruine landschap. Ik voelde me euforisch. Zelfs de aantrekkende wind -die bijna het regenzeil van mijn rugzak rukte- kon de blijdschap niet uit mijn lijf rammelen. Op de één of andere manier voelde ik mij compleet en geprivilegieerd. 7u 's morgens. Als enige wakker. Een sprankel bewustzijn die het spel van zon en wolken mocht aanschouwen. De kwade zee in de verte. Aan de andere kant de bergtop die ik twee dagen eerder beklommen had. Mijn eerste passen op de Lofotentrail.


 
De dag kon dus niet meer stuk, zou een optimist kunnen stellen. Maar dat kon het wel. Hoe hoger ik ging, hoe meer de hoogtelijnen werden samengeknepen tot een verontrustend smalle rotsgraat. De eerder gevoelde euforie sloeg om in spijt. Wat moet het hier prachtig zijn bij mooi weer! Zinloze gedachten waarmee we onszelf pijnigen. En toch komen ze. Nemen we ze waar. De knallende wind en de steeds dichter wordende mist hielp mij om deze denksels los te laten. Mijn aandacht ging steeds meer naar niet te pletter storten in de diepte. Mijn zware rugzak fungeerde als een soort van zeil waaraan de heftige wind lustig stond te rukken. Tot mijn verbazing stonden er boven op de graat vier schapen... schaapachtig te wezen. Huh? Wat staan jullie hier te doen? zei ik luidop. Maar echt? Deze beesten hebben de vrijheid om overal te gaan staan waar ze willen en dan beslissen ze in al hun schaapachtigheid om te midden van regen en wind op de hoogst en smalst mogelijke rotsgraat te gaan staan. Er was hier geen spriet gras te vinden. WTF? 

Eén van de schapen schonk spontaan de inhoud van haar blaas aan de wereld bij het aanschouwen van het vreemde menscreatuur dat al even weinig te zoeken had op deze barre hoogten. Glimlachend besefte ik dat van mij helemaal hetzelfde kon gezegd worden. We zijn allemaal beesten. Niet zoveel eerder had ik mijn darminhoud tegen een vrijstaande rots gekwakt. Mijn darmen lagen al dagen overhoop. Geen vacht maar een regenjas en rugzak. En een kop waar wat meer in gedacht en gekronkeld wordt. Voor de rest zijn we gewoon hetzelfde. 

*******

De op de graat ervaren spijt verdween al snel achter de horizon toen het begon te regenen. Gieten. Al snel bleek mijn regenjasje een waardeloos prul te zijn. Het was alsof ik een hemd aan had en daarvan hoopte dat het de regen weren zou. Het was een jas die een ex-stagiaire op het werk had achtergelaten. Ik had toen gedacht dat ze te lui was geweest om deze te komen ophalen en had het The North Face jasje als een cadeau gezien. Een vergiftigd geschenk zo bleek. Misschien was het hoge brolgehalte de reden geweest dat ze niet de fut had gehad om het weer mee te nemen. Voor spijt was dus geen ruimte meer. Enkel voor het voelen van een miserabele koude die zich diep in mijn botten nestelde. 

Mijn herinneringen aan deze dag zijn flue. Deze dag is vervaagd tot een vage vlek van koude, nattigheid en pure ellende. Ik had het ijskoud van top tot teen. De woeste wind blies de horizontale regen dwars door mijn symbolische regenjas. Mijn gehandschoende handen waren verkleumd. Heel af en toe verscheen er een suckerhole aan de hemel en kreeg ik het -badend in een bundel zonlicht- heel even warm. Heel even flakkerde de hoop op dat het zou opklaren. Enkele minuten later sproeide de vloeibare teleurstelling alweer in mijn verkrampte smoel. 

Suckerhole. Een term die ik tijdens mijn reis in het zuidoosten van Alaska heb opgepikt. Het regent daar zo goed als altijd. Een suckerhole is een kortstondige opening in de bewolkte hemel.

It sucks you into thinking that the weather will clear. 

Ik wandelde zonder ophouden en sloeg mijn lunch maar gewoon over. Mijn brood zou toch maar doorweekt geraakt zijn. De ene helling na de andere. Van bergpas naar bergpas. Ik keek voortdurend op mijn GPS horloge en telde de kilometers meter per meter af. Tergend traag ging het. Ik hield kortstondig halt bij een berghut waar ik een zak bananenchips naar binnen werkte. Het zat er vol met hikers die er de nacht doorgebracht hadden en er niet veel voor voelden om de dag aan te vangen. Onder hen een Nederlander en een Nieuw-Zeelandse met een hoog influencer-gehalte die elkaar voor de aanvang van de tocht hadden ontmoet en hadden besloten om een bondgenootschap aan te gaan. Wat de verborgen agenda's achter dit vennootschap waren, daar kon een mens heel wat bij vermoeden. 

De laatste kilometers richting mijn einddoel legde ik af in een soort van verdoofde toestand. Het hoofd gebogen, in de cockpit hadden ze de automatische piloot ingeschakeld. De genietfunctie was tijdelijk defect. Toch voelde ik me niet per se negatief gestemd of teleurgesteld. Blij was ik niet maar ik kon het wel zien als een deel van de reis. Wel wou ik er zo snel als mogelijk vanaf zijn. 

Dat einddoel die dag was Lake Store. Een grote watervlek die wat vreugde in het kleurloze toendralandschap bracht. Het meer had zelfs een gouden randje dat weigerde te blinken bij het gebrek aan zonlicht. Aan de gouden oever prijkte een klein maar gezellig berghutje met begroeiing op het dak. Het kon zo uit Lord of the Rings gestolen zijn! Vol hoop en verwachting -het was nog maar 13u, ik zal wel de eerste zijn!!! - opende ik de deur. Eigenlijk zonk de hoop al door mijn schoenzolen de zompige bodem in toen ik mijn hand op de deurklink legde. Een canon aan stemgeluiden vond zich een weg naar buiten. Het was al druk in de hut. Alle bedden waren volzet. Ik bracht de namiddag theedrinkend door met de Duitse jongelingen die de hut alreeds hadden geannexeerd. Eens ik mijn kletsnatte kleding van mijn koukleumende lijf had gestroopt en ergens tussen de wirwar aan nat goed een plekje had weten geven, ging ik liggen. In één klap daalde er een diepe vermoeidheid over mij heen. Alle zin om te bewegen en iets te ondernemen, vloeide uit mij weg. De namiddag at kreunend onder haar eigen vermoeidheid tergend traag de tijd weg. Ik dronk nog een tas tee. Sloot mijn ogen en doezelde even weg. De slaap die mij deze nacht had geplaagd met een pesterige verleidingsdans greep mij nu vol bij mijn strot. Intussen zwol de drukte verder aan. Ondanks de vermoeidheid praatte ik met de hikers die kwamen, soms weer gingen maar meestal bleven. Iedereen kwakte zijn rugzak neer in het veel te knusse hutje en zocht een manier om zijn of haar natte plunje te drogen aan de vochtzwangere lucht. Stinken deed het intussen ook. 

Intussen waren ook de Nederlander en de Nieuw-Zeelandse toegekomen.

"Damn, my tent got all wet last night." verzuchtte ze. 

"Well," opperde de Nederlander galant. "I guess we could squeeze into my tent..."

"No, I'm good." pareerde de influencer. 

Ik kon een smalend lachje nauwelijks onderdrukken. Nice try, dacht ik. 

De drukte in de hut bereikte een verzadigingspunt en de drang om aan de weeë, zwoele lucht te ontsnappen won het van mijn luiheid. Ik wrong me een weg naar buiten om daar te merken dat ik rijkelijk lang gewacht had om mijn tent op te zetten. Het hele perk rondom de hut was welhaast volzet en ik palmde het laatste beschikbare plekje in. Het mijnenveld van schapenstront moest ik er maar bij nemen. 's Avonds zette de zon alsnog een punt achter de laatste zin. De regen had haar verhaal geschreven. Eten gebeurde thans nog buiten in de zon. Voelen deed het als herfst met een ijskoude wind en het kwik dat kermend de 10 graden aantikte. Rillend van de koude en de vermoeidheid kroop ik in mijn tent om daar een korte maar op de dood gelijkende slaap te slapen. 


Reacties

Populaire posts van deze blog

Lof aan de Lofoten: deel 1 van ?

Lof aan de Lofoten (deel 3)