The Great Escape: grotesk escapisme.

 

"Free diving Ultrarunning is not only sport, it’s a way to understand who we are. When we go down run, if we don’t think, we understand we are whole. We are one with world. When we think, we are separate. On surface Sitting still, it is natural to think and we have many information inside. We need to reset sometimes. Free diving  Ultrarunning helps do that.”

Natalia Molchanova


"GOD-VER-DOMME!" De rauwe klank van mijn stem wordt met een pijnlijke onverschilligheid geabsorbeerd door de mistflarden die lusteloos over de oevers van de Ourthe gedrapeerd liggen.

"FUCK-ING KLOTE OURTHE" In het ritmisch gerikketik van de regen valt geen antwoord te bespeuren. De donkere nacht laat mij alleen in mijn eigen duisternis. 

Voor het grootste deel van de tocht voelde ik mij kalm, gegrond en heel. De kilometers gleden weg, de tijd was als olie. Gedachten kwamen en gingen weer, als een film die ik vanop afstand bekeek. Fluctuerende sensaties in mijn lichaam. Soms tientallen kilometers voortgedreven door muziek, opgesloten in mijn cocon, af en toe luidop meezingend. Soms in complete stilheid. Het ene moment was ik gewoon aanwezig, ik en de omgeving en het ritme van mijn looppas. Dan weer eiste mijn ego alle ruimte op en werd ik geabsorbeerd door mijn innerlijke stem die me zei hoe fantastisch het is dat ik voor het tweede jaar op rij met kilometers voorsprong aan de leiding loop. 

En dan is er de Ourthe die me stevig bij mijn nekvel grijpt, mijn gezicht ruw in de modder duwt en me tenslotte nog eens een stamp in mijn kloten geeft. Van de kalme gegrondheid blijft geen spaander meer heel. Ik voel me uitgeput. Mijn beurs gelopen benen verteren de spekgladde rotsen niet langer. Het is harken om overeind te blijven. De talloze boomwortels krioelen als glibberige palingen over het dunne rotsspoor dat een wandelpad moet heten. Steekdonker is het. En het regent onafgebroken. Mijn natgeregende bril vol vetsporen biedt op zijn best de doorzichtigheid van mat glas. De dikke mistflarden knuppelen de bundel van mijn hoofdlamp uiteen tot een diffuus schijnsel. Op een bepaald moment ben ik genoodzaakt om de batterij van mijn Petzl te verversen. De lamp gaat even uit. Ogenblikkelijk word ik omhuld door een inktzwarte duisternis. Als ik de lamp op de één of andere manier zou verliezen, ben ik verloren. Ik zou niet in staat zijn om een millimeter te bewegen zonder van een rotsflank naar beneden te storten. 

Het zeurende pijntje in mijn rechterknie dat al redelijk vroeg in de wedstrijd is komen opzetten, is tot volle wasdom gekomen en maakt elke afdaling tot een ellendige sukkelgang. Ik schat dat ik per 100 meter zo'n tien meter al lopend afleg. Dribbelend eerder. Tergend traag gaat het. Mijn mind kan er niet goed mee om. Ik wil het stuk langs de Ourthe achter mij laten, ervan verlost worden maar hoe harder ik dat wil, hoe steviger de Ourthe mij in haar greep lijkt te houden. De frustratie borrelt op. Verdriet ook, zomaar.  De aanzienlijke voorsprong die ik heb op de eerste achtervolger heeft ook een keerzijde. Langs de ene kant werkt het geruststellend, langs de andere kant begint het mij wat aan motivatie te ontbreken om het tempo hoog te houden. Ik word volledig geabsorbeerd door de moeilijkheden van het parcours en de negatieve gevoelens en gedachten die ik erbij ervaar. Ik begin te treuzelen. Wat maakt het uit? Muziek aan, muziek uit. Toch maar een andere playlist. Een omgevallen boom waar ik lusteloos overheen kruip. Soms sta ik er wat verloren bij in het donkere bos en ben ik het te lopen spoor letterlijk even bijster. Waar zijn die blauwwitte golfjes die ik volgen moet? Van mijn GPS moet ik het niet langer hebben. Die draait onnozele rondjes. Die weet het ook allemaal niet meer. 

Bij momenten moet ik me eraan herinneren dat ik een wedstrijd aan het lopen ben en dat er wel degelijk een intentie zit achter al deze pijn en ellende. 

Hoe kan het dat ik wist dat dit stuk eraan zou komen en dat het mij toch compleet weet te verrassen? 

***

Aankomen in Maboge, het epicentrum en bovenal de aankomst van de The Great Escape, was een enigszins andere ervaring dan het jaar voordien. Vorig jaar was ik gestresseerd en doodvermoeid. De angst om opnieuw te falen op de 100 mijl had me de nacht voordien vrijwel volledig uit mijn slaap gehouden. Er was ook nog de maagdelijke onschuld van het niet weten wat ik op de 100 mijl zou kunnen. Stiekem wilde ik het natuurlijk zo goed mogelijk doen, maar eigenlijk was er vooral ontzag en nederigheid voor die onooglijk lange afstand van 160 kilometer. 167 bleek dat zelfs te zijn. Ik had weinig contact met anderen. Ik pikte mijn rugnummer op en trok me ogenblikkelijk terug op de nabijgelegen camping alwaar ik om 20u mijn tent in dook. 

Deze keer connecteer ik met verschillende bekenden en onbekenden en blijf ik langer dan ik voorzien had hangen aan de aankomstzone. Ik lepel een tweetal borden naar binnen van het door de organisatie voorziene voer. Lekker! Ik voel me vrij uitgerust en ontspannen. Er zijn verschillende mensen die me aanspreken op mijn overwinning van het jaar voordien. Eerlijk: mijn ego geniet daarvan maar ergens veroorzaakt het ook enig ongemak. Een Amerikaanse deelnemer spreekt me aan en voorspelt dat we een groot deel van de wedstrijd zullen samenlopen. 

"Ik loop de 100 mijl op 18 uur." geeft hij mee. 

Uiteindelijk zet ik mijn tent op het in schemerduister en lig ik om 21u20 in mijn slaapzak. Zo'n 3,5 uur van gebroken slaap scheidt mij van het irritante geblèr van mijn wekker. Eigenlijk komt het zelfs zo ver niet. Om 24u50 schiet ik uit mijn allerlaatste onrustige slaapflard. Ik besluit om maar al op te staan. Ik bereid een kom havermoutpap met pindakaas en een sterke koffie. Gelukkig kan ik altijd en overal eten. Ontbijten om 1u 's nachts is voor mij niet echt een probleem. Als ultraloper is dat een mooie gave. Ik wurm mij in mijn loopoutfit en slenter richting de aankomstzone waar we om 2u geacht worden de bus richting start te nemen.

Voor de lezers die niet bekend zijn met de Great Escape. The Great Escape is een ludieke allusie op de te lopen route. In feite is het parcours niet meer en niet minder dan een vaste langeafstandsroute die haar vertrekpunt vindt in Ettelbrück -ergens in het midden van Luxemburg- en tot einde komt in Maboge, gelegen in het hart van de Belgische Ardennen. De gemiddelde wandelaar neemt er toch zeker een dag of zeven de tijd voor. De route bestaat uit een combinatie van de Lee trail en de Eisleck trail en heet de Escapardenne Trail. Ontsnappen aan (of in?) de Ardennen. Als je de tocht in één ruk aflegt, krijg je natuurlijk een Great Escape, tevens de naam van een filmklassieker die gaat over een mislukte ontsnapping uit een gevangenenkamp in de Tweede Wereldoorlog. 

Op de aankomstzone heerst een gezellige drukte. Ik maak wat praatjes met verschillende deelnemers en giet nog een koffie of twee achterover. De bijna twee uur durende busrit richting start is eigenlijk geen cadeau. Het geeft je de nodige tijd om je bewust te worden van de diepe vermoeidheid die alreeds voor de wedstrijd in je lijf hangt. Twee uur slaap in stukjes en brokjes, wat wil je? Het geeft je ook de kans om stil te staan bij de omvang van de beproeving waaraan we ons onderwerpen. Twee uren rijden over brede asfaltwegen, deels autosnelweg. Dit moeten we straks in omgekeerde richting afleggen. Te poot, over smalle kronkelende paden en het nodige reliëf. 

Vlak voor de start zoeken Christine en ik elkaar een allerlaatste keer op. We houden elkaar vast en steken elkaar een hart onder riem. We zijn allebei nerveus. Ik, omdat ik het evengoed wil doen als het jaar voordien. Zij, omdat dit haar allereerste 100 mijl is. Ze is onzeker over haar eigen kunnen en de vele hoogtemeters intimideren haar. Het is ok. De twijfel, de onzekerheid, het hoort er allemaal bij. 

Net zoals het jaar voordien wordt er vlot gestart. Toen hield ik me nog even op de achtergrond, deze keer loop ik meteen aan de leiding in het gezelschap van Jan Van Bos. Na een korte passage doorheen de straten van het nachtelijke Ettelbrück duiken we meteen de bossen in. Het parcours aarzelt niet en schotelt ons meteen de nodige hoogtemeters voor. Ik val al snel in het ritme dat ook het jaar voordien goed leek te werken voor mij. Onder de 5'/km op de vlakkere stroken. Op de beloopbare hellingen schakel ik meteen naar een lagere versnelling en probeer ik met lichte, kleine pasjes naar boven te trippelen. Van zodra ik voel dat mijn ademhaling begint te escaleren, aarzel ik niet om over te schakelen naar een stevige wandelpas. Beheerst in de afdalingen, op zoek naar een balans tussen traag genoeg en ook weer niet verkrampt en te geremd. 

De kopgroep herbergt weinig deelnemers van het jaar voordien. Ik herken enkel Stefaan die ook tijdens de vorige editie een bevlogen start maakte. Toen haalde hij helaas de eindmeet niet. Ik wens hem toe dat het deze keer wel mag lukken. Er vinden wat positiewissels plaats, ik mis heel even een afslag, samen met Jan en Tom Decleir. Hierdoor krijgt Stefaan de kans om te gaan vliegen. Ik maak een kleine -niet al te intense- inhaalbeweging en merk dat enkel Tom blijft volgen. Al gauw zien we Stefaan voor ons uitlopen. We pikken hem op, lopen even samen om niet erg veel later met ons tweetjes over te blijven. We zijn dik tien kilometer ver. Op dat moment besef ik dat de kans er opnieuw inzit dat het voor mij een lange solotocht gaat worden. Tom lijkt vlot mee te gaan maar eerlijk gezegd weet ik al van in het begin dat hij het tempo nooit de hele wedstrijd lang zal kunnen volgen. Tom is een heel fijne kerel die al mooie dingen heeft gedaan in de Alpen, zowel op het gebied van Alpinisme als op ultraloopgebied. Zijn liefde voor de bergen is aanstekelijk. We praten de kilometers vlot weg en delen in ons levensverhaal. 

Het is ambivalent: ik wil van hem winnen maar tezelfdertijd hoop ik dat we nog vele uren mogen samenlopen. Ik weet echter dat dit wellicht niet gebeuren zal. Hij is 22 en mist hoogstwaarschijnlijk de diepe basis die nodig is om een snelle 100 mijl te lopen. Ik weet ook dat zijn basistempo een stuk lager ligt dan het mijne. Ik spreek dat ook eerlijk uit naar hem. Zonder oordeel. Ik hoop gewoon dat hij zijn eigen wedstrijd indeelt op een manier die goed is voor hém. 

Samen bereiken we de eerste CP op 24km. Het is nog donker. Een voorzichtige band van flauw licht verschijnt al wel aan de sombere horizon. Ik kloek twee cola's naar binnen, ledig mijn softflasks en vul deze weer met water. Tot slot graai ik nog een sandwich mee en zetten we samen onze tocht verder. Het is winderig en kil op het CP. We bedanken de vrijwilligers die daar in dikke jassen staan te koukleumen. 

Rond de 30 kilometer begint het verval bij Tom zichtbaar te worden. We vertragen en hij klaagt van pijn in de heup. Zonder er moeite voor te doen neem ik steeds meer afstand. Ik besef dat hier onze wegen zullen scheiden. Vanop een helling zie ik hem moeizaam over de vlakke aanloopstrook lopen. Ik roep hem toe dat ik mijn eigen weg ga en wens hem het beste. Nadien verdwijnt hij snel uit het zicht. 

Ik ben alleen. Alleen in de stilte van de bossen. Alleen op de rotsgraat richting CP 7 op dik 37km. Waar vorig jaar elke meter van het tracé als een complete verrassing kwam, voelt het nu alsof er voortdurend puzzelstukjes van een groter déjà vu naar binnen dwarrelen. Op het CP herken ik Walter en Luk, twee ankerpunten binnen de Legens gemeenschap. Een mens leert. Deze keer bedank ik vriendelijk voor de pikante soep die mij door de vriendelijke vrijwilligers wordt aangeboden. Vorig jaar bleek dit toch niet te zijn wat ik nodig had. In de plaats daarvan beperk ik mij tot het overladen van mijn dropbag. Ik gooi mijn lege verpakkingen in de vuilbak en stouw mijn rugzakje weer vol met verse gels en enkele Snickers. Ondertussen smeert Walter een stapeltje boterhammen met choco voor mij die ik al lopend plan op te peuzelen. Bij het verlaten van deze oase aan warmte, kruis ik alsnog Tom. Hij geeft aan dat het niet best met hem gaat. Ik wens hem nogmaals de nodige sterkte en ga weer alleen op pad. 

***

Wat volgt is een betrekkelijk lang stuk waaraan ik weinig duidelijke herinneringen mag overhouden. Het Luxemburgse landschap vormt een fraai decor voor deze doorgedreven vorm van escapisme. Lagergelegen dan onze eigen Belgische Ardennen maar net dat tikje woester en met meer aanleg voor dramatiek. Steile rotswanden. Paden van een soort gebroken leisteen. Zo nu en dan bos zover het oog reiken kan. Met enige vreugde stel ik vast dat ik mijn klimmersbenen heb meegebracht. Het is soms moeilijk vergelijken maar het voelt alsof ik toch meer stukken naar boven weet te lopen ten opzichte van het jaar voordien. Zo krachtig als ik me voel in het bestijgen van het venijnige reliëf, zo beperkt voel ik me in het dalen. Het gaat me niet zo af vandaag. Ik voel me wat onzeker en stuntelig op de scherpe chaos van rotsen die zo o zo vaak de ondergrond lijkt te vormen. Enkele weken terug gaf ik tijdens een lange training in de Ardennen een stevige knuffel aan de Ardeense rotsbodem. Ik bezeerde daarbij mijn knie en eigenlijk heb ik sindsdien na elke training last gehad van een pijnlijk gezwollen bot, net onder mijn patellapees. Mijn bezorgdheid dat dit me weleens serieus zou kunnen gaan hinderen tijdens de Great Escape, blijkt terecht te zijn. De knie voelt wat pijnlijk en stijf in de afdalingen. Bovendien begint na een 50 tal kilometer ook mijn rechterknie te zeuren. 

Linkerknie: pijn aan de buitenkant.

Rechterknie: pijn aan de binnenkant.

Duidelijk een geval van overcompensatie. Ik probeer zo ontspannen mogelijk naar beneden te lopen maar het lukt me niet echt. Bergop en op de weinige vlakkere stroken voelt alles gelukkig naar wens. Ook begint het slaaptekort tastbaar te worden. Een misselijk, wee gevoel maakt zich van me meester. Eigenlijk beleef ik tussen km 53 en pakweg km 68 een moeilijke periode. Vanuit fysiek oogpunt althans. Ondanks de pijn in beider knieën en het slappe, energieloze gevoel, blijf ik rustig en gegrond. Ik maak me geen zorgen. Ik weet nu dat pijn en ongemak deel uitmaken van de ervaring. Sensaties komen en gaan. Ik twijfel er niet aan dat ook dit discomfort verdwijnen zal. Ooit zakte ik tijdens een ultra van 110km compleet door het ijs na zo'n twintig kilometer om uiteindelijk toch als tweede te eindigen. Toen worstelde ik met de gedachte om op te geven. Nu zie ik het niet eens meer als een probleem. 

Op CP6 -na zo'n 60km- ga ik heel even zitten en maak ik weer enkele cola's soldaat. 

"Je ziet er zo helder en gefocust uit." zegt één van de vrijwilligers. Ik moet ermee lachen. Ik voel mij als stront. 

"Zo goed gaat het anders niet." geef ik toe. 

"Ja, maar je ogen staan zo groot en helder."

"Dat zal dan eerder van de drie koffies en zes cola's komen die doorheen mijn bloedbaan circuleren."

In de kilometers na CP6 lost het misselijke en afwezige gevoel langzaam maar zeker op. De kracht keert weder. Ik herken het wat vlakkere gedeelte dat voorafgaat aan CP5, het halfweg punt op zo'n 80km. Ik loop al een tijdje met muziek in de oren en geef goed gas. Gelukkig weet ik nu ook dat de zijtak van het parcours die naar het CP leidt, verrassend lang is. Ironisch genoeg wordt het juist daardoor weer... verrassend kort. We verlaten de Escapardenne Trail en zwerven even doorheen de straten van Clervaux. Vervolgens gaat het steil omhoog de bossen in. Vlak voor het CP ga ik even de mist in. Ik neem een verkeerde afslag en eindig een 80tal meter boven de sterk begeerde verzorgingspost. Ik heb de keuze: rechtsomkeer maken of recht naar beneden langsheen de dicht begroeide valleiflank. Ik kies toch maar voor dat laatste. Ik ren dwars doorheen de varens, steek de grote baan over en struin na dik negen uur het CP binnen. 

Het doet deugd om weer mensen te zien. Meer dan de beschikbare verversingen, voed ik mezelf met de aanwezigheid van anderen. Tom blijkt op zo'n 56km de handdoek in de ring te hebben gegooid wegens teveel pijn aan de heup. Hij is aanwezig op het checkpoint en zit te wachten op een rit richting aankomst. Daar waar ik weinig tijd verspilde op de voorgaande CP's, had ik me krachtig voorgenomen om halverwege in géén geval de pastamaaltijd aan mij te laten voorbijgaan. Aangezien het nog even wachten is eer het eten klaar is, geeft me dat de nodige tijd om enkele andere zaken op orde te brengen. Ik leg mijn horloge aan het infuus, ontdoe me van mijn lege verpakkingen en stop weer een arsenaal aan nieuwe gels en Snickers in mijn racevest. Daarnaast maak ik van de gelegenheid gebruik om mijn kont eens te reinigen met écht toiletpapier. Wat vroeger in de tocht speelden mijn darmen op en moest ik me behelpen met natte bladeren en wat grond. God, wat doet dat échte toiletbezoek deugd. 

Tijdens een 100 mijl vindt een mens hernieuwde appreciatie voor al wat banaal is. 

Het eten is klaar, lustig lepel ik een lading pasta naar binnen. Intussen maak ik een praatje met Tom en bestudeer ik het grote scherm waarop de trackingwebsite wordt geprojecteerd. Ik merk op dat Jan Van Bos -mijn dichtste achtervolger- zich op zo'n 7 kilometer achter mij bevindt. Mijn voorsprong halverwege is nog ruimer dan dat vorig jaar het geval was. Vorig jaar maakte het mij een beetje onzeker en vreesde ik dat ik misschien wel te snel van start was gegaan. Nu weet ik dat dat niet het geval is. Ik ben snel gestart maar heb dat bewust gedaan. Verval komt er toch, hoe snel of hoe traag je ook start. Langs de Ourthe zal het traag gaan, of je nu fris bent of uitgeput. Dus mik ik redelijk hoog, wetende dat ik een stukje lager zal eindigen. Natuurlijk moet je deze redenering ook niet te fel doortrekken. Start je té snel dan neemt de vervalcurve in een latere fase van de race onvermijdelijk een steile duik naar beneden. Met een tergend trage en extreem pijnlijke finale als gevolg. Of wie weet, zelfs een DNF. De Bello Gallico was daarin een strenge leermeester. Het is dus zoeken naar een optimum tussen niet te snel maar ook niet té traag te starten.

Voor ik vertrek kraak ik nog even mijn onderrug met behulp van de stoel waarop ik zit te eten. Ik voel een diepe knak ergens in mijn bekken en ben onmiddellijk verlost van de spanning die zich al een tijdje in mijn heupspier aan het opbouwen is. Ik heb een sterk lijf maar het heeft ook de nodige haken en ogen. 

Op de terugweg naar hereniging met de Escapardenne Trail kom ik geen enkele andere loper tegen. 

***

De 35 km's volgend op CP5 gaan behoorlijk vlot. Het parcours trekt zijn klauwen even in. Glooiende gravelstroken en passages doorheen de weilanden wisselen elkaar af. Hier en daar doorkuis ik een stuk aanplantbos. De stukken grasland zijn al bij al nog het moeilijkste. Door de toenemende vermoeidheid in mijn benen, agiteert de onstabiele grond de stabiliserende spieren en pezen in mijn onderbenen. Op de hardere stroken gaat het nog erg goed vooruit. Ook opvallend: de pijn in mijn linkerknie is volledig verdwenen! Daar staat helaas tegenover dat mijn rechterknie de fakkel met overtuiging heeft overgenomen. Niet minder opmerkelijk: de eerste twintig à dertig kilometer had ik last van een stekende pijn in mijn rechterenkel, telkens als mijn voet wat kantelde op een oneffenheid. Ook dat ongemak is mettertijd weggesmolten. Een bodycheck levert thans het volgende rapport op:

Een behoorlijk goed energiepijl.
Een uitstekende mentale gesteldheid.
Relatief rustige ingewanden en een aanwezige eetlust waarop menig ultraloper jaloers mag zijn.
Diffuse pijnen over het hele lijf, in het bijzonder in de benen. Een erg bekend en daarom geenszins verontrustend patroon.
Een zorgwekkende pijn in de rechterknie. Wellicht de patellapees.

Rond km 100 hou ik even halt bij CP4, ook wel chez Alma genaamd. De koude gure wind maakt dat ik besluit om niet te lang te treuzelen en al lopend de heerlijke wrap op te peuzelen. Ik loop door een vrijwel open landschap. Dikke vette wolken zeilen als dreigende vikingschepen langs het hemelgewelf. Al heel de dag lang rollen de regenwolken met hun spieren maar voorlopig is het enkel bij wat licht gedruppel gebleven. Mijn regenjas zit nog steeds onaangeroerd in mijn rugzakje. Zo nu en dan sabelt de zon de wolkenvloot uit elkaar en voelt het heel even als nazomer. Na 35km van relatief saai maar vlot beloopbaar landschap bereik ik het CP te Vissoule, op 115km. Aldaar blijk ik zo'n 14 kilometer voorsprong te hebben op mijn dichtste concurrent. Aangezien Jan er halverwege mee opgehouden is, omwille van voor mij onbekende redenen, is het nu Addie van der Vleuten die de tweede positie inneemt. 

Ik merk op dat ik steeds vaker de tracker raadpleeg om mij een beeld te vormen van de posities van mijn achterliggers. Voel ik ondanks mijn comfortabele voorsprong toch een bepaalde onzekerheid? Ben ik bang om mijn eerste positie te verliezen? Er achteraf op terugkijkend, denk ik dat dit mijn manier was om verbinding te behouden met het hele gebeuren. De solotocht, het urenlange alleen-zijn, zorgde ervoor dat ik gedeconnecteerd geraakte van de wedstrijd.  De vele uren met mijn eigen gevoelens en gedachten, denkspinsels die vaak geen enkele relatie hadden met de Great Escape. Achter mij bewoog er het één en het ander, er vonden wat positiewissels plaats. Ik keek ernaar vanop een afstand. Alsof het niet in dezelfde wedstrijd gebeurde waaraan ikzelf deelnam. De Amerikaan heb ik na de eerste kilometers niet meer teruggezien. Een tijdlang vreesde ik dat er misschien nog een soort van heroïsch inhaalmanoeuvre zou komen, maar uiteindelijk zou hij DNF'en. De CP's vormden voor mij bakens van connectie. Herinnerden mij terug aan waarmee ik bezig was. Aan de intentie waarmee ik van start ben gegaan.

Van zodra ik CP3 binnenwandel begint het buiten zeven kleuren stront te regenen. Bovendien is mijn horloge wederom aan een herlaadbeurt toe. Dit is het punt waarop de laatste dropbag te vinden is. Voor een allerlaatste keer ververs ik mijn gels en Snickers en trek het truitje met lange mouwen aan dat ik voorzien had voor de nachtelijke uren. Gretig maar zonder haast werk ik twee hotdogs naar binnen. Ik heb geen zin om weer alleen op pad te gaan, ditmaal door de geselende regen. Ik moet mezelf écht dwingen om weer te vertrekken. Eens ik buiten sta, trekt een koudegolf doorheen mijn vermoeide lijf. De regen klettert op mijn regenjas. Ik forceer mijn stijve poten zo snel mogelijk tot een looppas opdat ik het snel weer warm zou krijgen. Tot mijn ontsteltenis duikt het batterijpercentage van mijn horloge pijlsnel de diepte in. Verdomme! Het lijkt erop dat de batterij jaar na jaar sneller begint te degraderen. Misschien wordt het stilaan tijd dat ik mezelf een nieuw apparaat gun. Het ziet er toch naar uit dat de tochten die ik loop er niet bepaald korter op zullen worden. Ook is de kaartloze navigatiefunctie niet altijd even doeltreffend. Combineer dat met mijn soms haperende aandachtspanne en twijfelachtige navigatieskills en je begrijpt dat het weleens fout kan lopen. Het is hier dat ik aan mezelf beloof dat ik de Legends Trail in géén geval mag proberen lopen met dit horloge. 

Een weinig later doorkruis ik de dorpskern van Houffalize. Vorig jaar viel mijn passage samen met de start van de Chouffe 10 miles. Thans krioelde het van de lopers die op weg waren naar de startzone. Klaar om 16km te lopen. Ik vond dat toen op een vreemde, wat absurde manier erg leuk. Ik voelde me een soort van paria. De vreemde eend in de bijt. Zouden de anderen weten wat ik aan het doen ben? Of verwarden ze mij -niet geheel onbegrijpelijk- met één van hen? Nu zijn de straten vrijwel leeg. De Chouffe 10 miles vindt dit jaar op zondag plaats, niet op zaterdag. Wel zie ik de laatste restanten van de wandeling die wél op zaterdag wordt georganiseerd. 

Op die manier is de Great Escape doorspekt met déjà vu's terwijl het tezelfdertijd ook een geheel andere ervaring is. Net zoals vorig jaar begint het te schemeren, niet zolang nadat ik Houffalize achter me gelaten heb. Er moet een lek in de batterij van mijn horloge zitten! Gelukkig ben ik zo verstandig geweest om een powerbank mee te nemen en kan ik het leegbloedende ding aan de baxter hangen. Het kabeltje klemt goed vast op het horloge waardoor ik gewoon kan blijven lopen terwijl de batterij wordt bijgetankt. Het landschap ligt er fraai bij onder het fletse licht van de stervende dag. Donkere wolkenbanden hangen als rouwsluiers aan de horizon. Ik weet wat er komen gaat. Eerst nog wat relatief mild klim- en daalwerk doorheen de wouden van Houffalize, dan een kleine bevoorradingspost en vervolgens het immer gevreesde stuk langs de Ourthe. Vorig jaar heb ik daar mijn peren gezien en heel wat tijd verloren. Ik neem me krachtig voor om me deze keer niet te laten verrassen en het te nemen hoe het komt. In 2021 dacht ik op dit punt nog dat een finish voor middernacht binnen de mogelijkheden lag. Nu weet ik dat dit onmogelijk is. Toch hoop ik stiekem dat ik onder de 21 uur kan finishen. 

Opnieuw een schromelijke onderschatting voor wat er nog komen zou!

De passage langs CP2 doet deugd. Ik ga even zitten en eet wat men in de aanbieding heeft. Deze keer weet ik wel te genieten van een kom soep. 

***

Het is verbazingwekkend hoe onbetrouwbaar het geheugen niet is. Ik maak me altijd sterk dat ik behept ben met een uitstekend langetermijngeheugen. Mijn kortetermijngeheugen rammelt langs alle kanten, zo vertel ik graag aan anderen, als ik nieuwe mensen leer kennen vergeet ik constant hun naam, ook al betekenen ze iets voor mij. Ik vergeet waar ik mijn spullen heb gelegd, tenzij ik een rigoureuze structuur aanhou, ik vergeet waarmee ik bezig was als ik onderbroken word in het uitvoeren van een taak, spring van de hak op de tak. Maar eens iets door mijn geheugen omarmd wordt, laat het dit nooit meer los, zo beweer ik. Ook mijn episodisch geheugen is fantastisch. Ik kan het verleden als een film voor mijn geestesoog afspelen. 

Dat mooie episodische geheugen van mij vertoont blijkbaar meerdere glitches als het op de finale van de Great Escape aankomt. In mijn herinneringen bevond het zwaarste gedeelte zich tussen CP2 en CP1. De Ourthe op haar venijnigst. Kreng van een rivier. In realiteit komt het aller zwaarste stuk pas na CP 1. CP1 waar ik rustig een koffietje tot mij neem, vergezeld van twee croque monsieurs, tosti's zoals de Nederlanders zeggen. Eigenlijk vind ik tosti een mooier woord. Volledig in de waan dat we het ergste nu wel gehad hebben. Ook al vertellen de vrijwilligers dat er nog een behoorlijk zwaar stuk zit aan te komen, het dringt niet tot me door. Ik voel me wat euforisch. 

"Heb je de weg naar hier goed kunnen vinden?" vraagt Walter me.

"Ja, hoor." repliceer ik. "Het was uitstekend bewegwijzerd."

"Ok, goed. Want ik heb de pijlen omhoog gehangen. Dadelijk als je verdergaat zal ik het vervolg tonen."

Wauw. Walter die in vrijwel exact dezelfde bewoordingen dezelfde vraag aan me stelt als een jaar eerder. Dat alles rond hetzelfde tijdstip op hetzelfde CP. Déja vu in het kwadraat. Het déjà vu gevoel neemt enkel en alleen in kracht toe wanneer Walter me naar buiten vergezelt en me toont welke weg ik moet inslaan. Net zoals vorig vind ik zijn behulpzaamheid overbodig en begin ik alvast te lopen. 

De verkeerde weg in. 

Was dat in 2021 ook niet het geval geweest?

***

Is het daarom dat de laatste kilometers zo'n hel zijn? Omdat ik gemakkelijk had verwacht en moeilijk heb gekregen? Uiteindelijk is niets voor altijd en laat ik ook dat stuk weer achter me. Wanneer ik eindelijk weer op beloopbaar terrein terecht kom voel ik me als een gevangene die na vele jaren van zijn ketenen wordt ontdaan. Haast euforisch ren ik over de brede banen en bospaden. Ik ervaar een runnershigh van een zeldzame intensiteit. Nog zes kilometer te gaan! Vorig jaar voelde ik me hier als een pudding en waren mijn benen in intense pijn. Nu voel ik me krachtig en energiek ondanks de moeilijke episode langs de Ourthe. Met stevige passen loop ik over het glooiende terrein. Ik weet ook dat de Muur van Maboge dit jaar niet overwonnen moet worden, thans verschiet ik al het kruit dat ik nog over heb. De  laatste afdaling volgt. In mijn beleving dender ik naar beneden. Een blik op mijn GPS horloge relativeert alles. Zo snel gaat het echt niet meer. Ik draai de weg op. De lichtjes van de aankomstzone doemen op. Als een stier die een stal vol koeien ruikt storm ik de straat uit. 


En dan, na wat een eeuwigheid lijkt, ben ik er. Het is voorbij. Op de aankomstzone lopen een vijftal mensen rond. Toch vormt het bescheiden applaus het mooiste orkest dat ik ooit gehoord heb. Terwijl Bart een medaille rond m'n nek gooit en mij een pakketje Kerelbier overhandigt, zegt hij:

"Het wordt stilaan traditie."

"Twee keer is geen traditie." antwoord ik. 

Kreunend en steunend ga ik zitten. Frederique drapeert een dekentje rond mijn uitgeputte lichaam. Ik zou willen schrijven dat een gloed van dankbaarheid en liefde mijn wezen vulde. Dankbaarheid voor de ervaring, voor de overwinning, voor wat mijn lijf heeft willen en kunnen doen. Liefde voor de sport en de menselijke warmte eromheen. In de plaats daarvan is er enkel de leegte van de complete uitputting. Ook vorig jaar had ik deze ervaring. Het hormonale stelsel dat zo uit balans is dat het voelen van emoties niet langer mogelijk is. Ik kijk naar mijn medaille en het pakketje Kerel. Ik besef dat dit een organisatie is die focust op wat belangrijk is. Het gebeuren, de mensen, de ervaring en het verleggen van grenzen. De winnaar krijgt niet meer dan de allerlaatste. Een podium is er niet. En dat is allemaal helemaal ok. 

*** 

Ik kan het toch niet laten om beide edities met elkaar te vergelijken. Dit jaar kwam ik een kwartier vroeger aan dan in 2021 maar deze editie was enkele kilometers korter dan de voorgaande. Al bij al denk ik dat ik deze keer iets trager heb gelopen. Voor zover ik het kan analyseren lijkt het erop dat ik tot op een kilometer of 120 aan een iets hogere gemiddelde snelheid onderweg was. Ik verloor dan weer veel meer tijd langs de Ourthe, mogelijks omdat het vorig jaar droog was en de stenen en de boomwortels er deze keer kletsnat bij lagen. Vorig jaar had ik maximaal 12km voorsprong op Addie van der Vleuten, mijn dichtste achtervolger maar bleef dit constant tot op het einde. Nu bouwde ik een voorsprong op van liefst 14 kilometer maar de helft daarvan speelde ik weer kwijt in de laatste dertig kilometer. Ook dit jaar mocht Addie zich de tweede noemen, vorig jaar was dat 2,5 uur na ondergetekende, dit jaar 'slechts' 1,5 uur. Conclusie: meer gesukkel en getreuzel in de laatste kilometers ondanks een algemeen sterker gevoel. 

***

Na een douche in het hagelnieuwe sanitair van de camping, een dubbele maaltijd en wat getaffel aan de aankomstzone, sukkel ik om 3u20 mijn tent in. Ik val als een blok in slaap maar word na drie luttele uren alweer wakker met het gevoel alsof ik de avond voordien een drinkgelag heb bijgewoond, waarna ik op weg naar huis ben overreden door een tientonner. Weer inslapen is schier onmogelijk. Blijven liggen geen optie in mijn tent die klam staat van de regen en het nachtelijke zweten. Bwaaak. Als een stuk stront, zo voel ik mij. 

Na wat chocoboterhammen en een sloot koffie genuttigd te hebben op de aankomstzone besluit ik huiswaarts te trekken. Vlak na het ontwaken had ik al gezien dat Christine nog steeds in de running was. Dat maakte me blij maar verraste me ook. Uren daarvoor al had ze laten weten met serieuze maagproblemen te kampen. Nog voor km 80 speelde ze met het idee om op te geven. Ik check de tracker nogmaals en zie dat ze nét op dat moment op het laatste CP zit. Ik beslis er ogenblikkelijk heen te rijden in de hoop dat ze nog niet vetrokken is tegen de tijd dat ik eraan kom. Gelukkig is het slechts een rit van nog geen 10 minuten. Ik kan haar altijd inhalen op de asfaltstrook die volgt op het CP, hou ik mezelf voor. Tot mijn vreugde blijkt ze net op het punt te staan om te vertrekken. We houden elkaar stevig vast. Het doet deugd om elkaar zo onverwachts te kunnen zien. Ik wandel een stukje mee, tot op het punt waar het parcours weer de bossen induikt. Ondanks de vele problemen oogt ze sterk en vastberaden. Wat een straffe madam. Ik voel trots en ben er zeker van dat ze het gaat halen. Het stelt me ook gerust dat ze een duo heeft gevormd met Claudia en het klotestuk langs de Ourthe niet in alleenheid moet tackelen. Op het einde van de asfaltstrook nemen we opnieuw afscheid. 

Zoals aangevoeld zal ze enkele uren later inderdaad haar eerste 100 mijler finishen. Jeehaa! 

***

Ikzelf begeef me naar huis om mijn vaderlijke plicht weer op te nemen. Om de Great Escape te kunnen lopen heb ik mijn kinderen een weekend bij hun grootouders laten doorbrengen. Iets na de middag haal ik hen weer op. Ik breng mijn dochtertje naar de scouts en breng nog een uurtje door op de kermis met mijn zoontje. Het is harken om de dag door te komen. Ja, de zondag overleven en de kinderen in bed leggen, dat is de Muur van Maboge die we nog tegoed hadden. Rond 19u45, meteen na de bedtijd van mijn dochtertje, kruip ik zelf uitgeput en rillend van ellende in bed. 

Moe, en te moe om mij voldaan te voelen. 



 





Reacties

  1. Fantastisch verhaal. Het was mij een genoegen om u na de wedstrijd te leren kennen bij een boterhammetje met Choco. Nogmaals proficiat. Marina

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog

Lof aan de Lofoten: deel 1 van ?

Lof aan de Lofoten (deel 3)