UT4M: A walk in the park... ... met nadien nog twee bergmassieven erbij.
Ik kan mijn ogen niet geloven. Eigenlijk moet het zijn: ik kan mijn oog niet geloven. Een aangeboren afwijking in zowel de vorm als de bedrading van mijn rechter kijkgat maakt namelijk dat ik langs één kant zo bijziend ben als een hoogbejaarde mol. Laat mijn linkervenster het nu evenzeer afweten en liegt het mij een misvormde versie van de werkelijkheid voor?
Ik bevind me
in Saint-Nazaire-Les-Eymes. Een gehucht dat voor mij geen enkele betekenis
heeft, afgezien van het feit dat het een grote bevoorradingspost op het
parcours van de Ultra Tour Quatre Massives –voor het gemak afgekort als UT4M-
herbergt. Gelegen op enkele kilometers voorbij het halfweg punt en het overgangspunt
vormend tussen het Belledonne- en het Chartreusemassief, is dit een belangrijk
ankerpunt op het parcours.
Het
hoogteprofiel bestuderend, had ik mezelf daags voordien zo’n 8 uur gegeven om
dit punt te bereiken. Ik ben dan ook in mijn nopjes wanneer ik al na 7u30 de 56
kilometer met zo’n 3300 verticale meters heb weten af te werken. En dat
bovendien met een uitstekend gevoel.
Als kort
voordien de sky nog de limit was, dan maakt diezelfde sky een acute tuimelperte
richting aardoppervlak van zodra ik de bevoorradingspost binnen treedt. Huh?
Zie ik daar een drietal lopers waarvan ik 100 –zo niet 1000- procent zeker was
dat zij zich diep in mijn zog bevonden- alreeds aangekomen op de
bevoorradingspost zitten en liggen? Ogenblikkelijk bekruipt me het gevoel dat
er stront aan de knikker hangt. Geen gewone stront: platte kak. Dit klopt niet!
Ik spreek één van de lopers die ik herken als een zekere Thomas met wie ik kort
na de start even samenliep aan en vraag hem hoe het kan dat hij zich plots voor
mij bevindt. Thomas kijkt me lachend aan en lijkt wat de spot te drijven met
mijn beschimmelde Frans. Mijn Frans is hoe dan ook al niet van de bovenste
plank, 56km doorheen het ruige hooggebergte in combinatie met de nervositeit
doen er beslist geen deugd aan. Het is frustrerend: ik worstel met het
overbrengen van mijn boodschap en Thomas staat me zomaar uit te lachen.
Klootzak, denk ik bij mezelf.
Wel
destilleer ik uit zijn veel te snel uitgesproken woorden dat hij zich op een
veertiende plaats denkt te bevinden. Mijn ogen vouwen zich open tot schotels
vol ongeloof. Wat? Al die tijd was ik ervan overtuigd dat ik op een zesde à
achtste plaats liep. Thomas is intussen al vetrokken. Klaar om het Chartreusemassief
aan te vallen. Haastig trek ik droge sokken aan en pleur wat nieuwe gels in
mijn rugzakje. Wanneer ik daarmee klaar ben, keer ik nog even terug naar de
bevoorradingstafel en giet drie cola’s door mijn keelhol. Tot slot graai ik nog
een tiental Tuc koekjes mee voor onderweg.
Onderweg
naar buiten raadpleeg ik even de livetracking website. Hierop wordt wat ik maar
niet geloven kon, nogmaals bevestigd. Ik bevind me niet op een zesde maar op
een zestiende plaats. Hoe de fuck kan dat? Waar mijn energielevel de hele
wedstrijd lang –ondanks het moeilijke parcours- vrij constant was gebleven,
beleef ik nu mijn eerste dip. Moedeloos sjok ik richting het Chartreusemassief
dat als een muur voor me opdoemt. Hoewel de relatief zachte hellingsgraad
beslist een looppas zou toelaten, lijkt de onzekerheid een soort van loden
anker dat ik met me meesleep.
Malend over
de vraag wat er misgelopen kan zijn, begin ik aan de beklimming. Mijn eerste
reflex is om mezelf in vraag te stellen. Is dat een voortvloeisel van mijn in
gezonde hoeveelheden aanwezige zelfkritisch vermogen? Of eerder van mijn gebrek
aan zelfvertrouwen? Misschien moet ik het niet eens zo ver gaan zoeken en is
het louter een gevolg van een rijkelijk gevuld palmares aan navigatiemissers.
Heb ik een stuk van het parcours afgesneden? Is mijn wedstrijd om zeep? Volgt
er misschien een diskwalificatie? Hoe meer ik echter de voorbije uren voor mijn
geestesoog afspeel, hoe minder ik twijfel aan mezelf. Juist door mijn geschiedenis van
navigatieproblemen en daardoor zelfs gemiste podia, weken mijn blikken geen
moment van mijn GPS horloge. In mijn herinnering viel de GPS route steeds
nauwkeurig samen met de bewegwijzering. Neen! Het zijn de anderen die –wellicht
per abuis-een stuk hebben afgesneden. In één ruk verklaart dit scenario waarom
ik in de vreselijk technische afdaling van de Pic de Belledonne –een afzink die
ik nam als een halve kreupele en waarin ik welhaast doodsangsten uitstond- door
geen enkele Franse berggeit werd voorbijgestoken. Zij bevonden zich op dat
moment al voor mij, niet achter mij.
***
Wat de UT4M
zo bijzonder maakt? Deze bergtrail start in een gehuchtje, ergens nabij
Grenoble, doorkruist meerdere bergketens om tot slot haar einde te vinden in de
binnenstad van de metropool. De UT4M bestaat uit meerdere deelevenementen. Als
je zo dwaas bent om deel te nemen aan de 173km, krijg je inderdaad de volle 4
massieven voorgeschoteld waaraan de UT4M zijn naam ontleent. De Vercors, de
Taillefer, de Belledonne en de Chartreuse. Als je het zoals ik houdt bij de
mildere variant van 100km, moet je het enkel doen met de Belledonne en de
Chartreuse. Het concept oefende een bijzondere aantrekkingskracht op me uit.
Dit in combinatie met een gunstige kalenderdatum, maakte dat ik zaterdag 23/07
om 5u20 paraat stond op de Place Victor Hugo. Dat het zoals gewoonlijk weer een
korte nacht was, behoeft geen verdere uitleg meer. Een door de organisatie
voorziene pendelbus, bracht ons naar het park van Uriage waar na nog een uur
wachten de start werd gegeven.
Wat doet een
mens tijdens zo’n verloren uur? Om te beginnen: het darmkanaal dat vlak voor
zo’n stressvol event verandert in een autosnelweg zo goed als mogelijk
verkeersvrij proberen maken. Daarnaast verbroeder ik wat met enkele heren van
Seroto. Ik had al veel over deze kerels en hun exploten gehoord maar hen nog
nooit in levende lijve ontmoet.
Doorgaans is
het een slecht teken wanneer mensen met elkaar over het weer beginnen praten.
Vandaag echter, is het een niet te vermijden onderwerp. Al vele weken wordt
Grenoble en bij uitbreiding de rest van Zuid-Frankrijk geteisterd door afschuwelijke
hittegolven. Canicules. Weer van den hond z’n kloten. Gisteren
bereikte de temperatuur met 40 graden een triest hoogtepunt. Ik kwam nauwelijks
mijn hotelkamertje uit en als ik dat uit noodzaak wel deed, leek het alsof ik
niet de voordeur maar wel de deur van een oven opendeed. Normaal gezien trek je
je dan reflexmatig terug, nu leek het alsof ik mijn panikerende lijf moedwillig
de oven in murwde. De wedstrijden van die dag werden ingekort en een tijdlang vreesde
ik dat de 100km zou afgelast worden.
De weergoden
zijn echter goedgeluimd, vandaag worden we getrakteerd op een zeldzame
mildering in de temperaturen. Dat wil zeggen: zeer warm in de plaats van heet. Enfin,
na een uur kakken en keuvelen gaan we eindelijk van start. Ik neem afscheid van
de Serotos en baan mij een weg naar de spits van de startbox. Na de nodige
dramatiek, onderbouwd met bijpassende muziek, trekt de meute zich op gang. We
haspelen een rondje af doorheen het Parc d’Uriage. Een soort van premature
triomftocht. Het tempo vooraan is vlot: een dikke 14km/u. Ik nestel me ergens
in de tiende positie. Mijn rugzak volgestouwd met door de organisatie verplicht
materiaal, hotst op en neer op mijn rug. Een kamelenzak met twee liter water,
een regenjas, twee hoofdlampen (waarvan ik er geen enkele zal nodig hebben),
een gamel met bestek en nog wat kleiner grut. Na ons onverdiende ererondje
dient de eerste klim zich aan. Een frisse waas hemelwater dremmelt intussen uit
de grijze luchten naar beneden. Normaal gesproken zou je dit soort van weer
verachten, zo tijdens een bergtrail. Vandaag zijn we hier erg blij mee. O zo
veel liever regen dan die absurde temperaturen van de laatste dagen. Dat het
zeven kleuren stront mag regenen! Het is de eerste keer sinds ik in Frankrijk
ben aangekomen dat ik een sensatie voel die iets wegheeft van frisheid.
Tijdens de eerste
klim ruk ik wat op naar voren. De eerste twee lopers gaan er aan een snedig en
voor mij beslist onrealistisch tempo vandoor. In het achtervolgende groepje
ligt de snelheid juist goed. Behouden genoeg voor een race van 100km, voldoende
vlot om me uit mijn comfortzone te halen. Na een wat steilere klim over beboste
paden volgt een soort van schotterweg die langzaam naar boven kronkelt. Ik
blijk de enige te zijn die zonder stokken loopt. Battons, zoals de Fransen zeggen. Ik keuvel wat met een zekere Thomas
die me op dat moment voorkomt als een sympathieke man.
Wederom
versmalt het tracé tot een singeltrack. Er vinden wat positiewisselingen plaats
en uiteindelijk beland ik een groepje van zo’n drie à vier lopers. Allen gaan
we voor de derde plaats. Hoewel de hellingen steeds steiler lijken te worden,
wordt er geen moment getreuzeld. Het tempo ligt oncomfortabel hoog en ik begin
in vraag te stellen of ik wel moeten blijven meegaan. Op de koop toe ontstaat
er een stekende pijn in mijn hiel. O verdomme, nu al! We zijn nog geen tien
kilometer ver. Het is moeilijk te zeggen wat er aan de basis ligt van de
kwellende, withete en stekende pijn. Het zou een hotspot kunnen zijn die bezig
is met het baren van een kanjer van blein. Of het zou ook een ontsteking kunnen
zijn aan de aanhechting van mijn achillespees. De pijnlijke uitstraling naar de
onderkant van mijn voet, lijkt dat laatste te bevestigen. Vooral klimmen op
mijn voorvoet doet enorm veel pijn. Jezus toch, waar komt dat ineens vandaan?
Frasen als ‘opgave’ en ‘zo gaat het niet lukken’ dwarrelen mijn bewustzijn
binnen.
Wat later,
na zo’n 13 kilometer, drentelen we een ski-dorp binnen dat plaats geeft aan de eerste
bevoorrading. Op de bevoorrading doe ik wat ik die dag op elke bevoorrading zal
doen, ik noteer het hier nu zodat ik het nadien niet meer hoef te herhalen:
Twee cola’s ad fundum, twee waters ad
fundum en een schijfje appelsien door het strot. Tot slot een handvol Tuc
koekjes voor onderweg. Op sommige bevoorradingen maakte ik van de gelegenheid
gebruik om mijn kamelenzak bij te vullen. Hier en daar graaide ik ook wat
Franse kaas mee. Dit eerder naar het einde toe. Tussen de bevoorradingen door
verplichte ik mezelf ertoe om elke 45’ een gel naar binnen te spuiten. Tot
zover het voedingsschema.
De
aanvoerder van het peloton laat de bevoorrading aan zich voorbijgaan. Meteen na
de post volgt de bestijging van een steile skipiste. Een looppas valt er niet
langer uit te persen. Ook mijn andere twee metgezellen –twee patsers van lopers
met dikke gespierde benen en dure Salomon outfit-moet ik laten gaan. Met
krachtige tred en driest gebruik makend van hun battons hijsen zij zichzelf de helling op. Nog een andere loper
komt me voorbij gesneld. We geraken even aan de praat voordat ook hij me het
nakijken geeft. Het blijkt een jonge kerel uit Lille te zijn die zich aan z’n
allereerste ultramarathon waagt.
“Ah, tu cours sans battons?” merkt hij
op.
Shit. Ik
begin te denken dat ik een cruciale fout begaan heb door zonder battons aan de UT4M te beginnen.
Eerlijk: ik heb het nog overwogen maar
aangezien ik nagenoeg geen enkele ervaring heb met lopen met van die
pikkelstokken, zag ik toch maar af van het idee. Het is nooit slim om op de dag
van een wedstrijd of kort voordien ingrijpende veranderingen te gaan
doorvoeren.
Het goede
nieuws: de stekende pijn in mijn hiel is even snel weer verdwenen als dat die
was opgekomen. Ik zal er de rest van de wedstrijd geen last meer van hebben. Erg
vreemd. Wel leuk. Ook prettig was dat het intussen was opgehouden met regenen.
De temperaturen bleven voorlopig erg mild aanvoelen. Avec battons ou sans battons, het is wat het is. Zwoegend maar
goedgeluimd werk ik mezelf de skihelling op. In een zesde à zevende positie, zo
schat ik in. Achter mij valt er voorlopig niemand te bespeuren.
***
Het parcours
werkt zich steeds hoger en dieper het Belledonnemasief in. Langzaam maar zeker
begint de UT4M haar ware gelaat te tonen, al heb ik een donkerbruin vermoeden
dat ik het achterste van de tong nog lang niet heb gezien. De paden worden
steeds keiiger. De keien maken plaats voor rotsblokken die het uiterste van
mijn korte beentjes vragen. Ik word ingehaald door enkele lopers van de kortere
afstanden met wie we het parcours delen. Zelf haal ik dan weer enkele lopers
van de 173km in, waaronder een Italiaanse schone met een print op de
rechterkuit. De boomgrens ligt intussen onder ons, hier en daar houdt een
koppig maar amechtig ogend sparrenboompje dapper stand. Het massief ontvouwt
zich in volle glorie. Rotsige knoerten van bergtoppen. Ergens daarboven, daar
moeten we naartoe. Eerst volgt echter een steile knik langs een schotterweg
richting tweede ravito. In de tegenovergestelde richting zie ik mijn
voorliggers die hun verversing reeds gehad hebben. De achterstand blijkt nog
niet al te groot te zijn!
“Miljaardedjuuu
toch.” Kreun ik.
We zijn al
uren aan het klimmen en het blijft maar duren. Natuurlijk is niets voor altijd,
aan alles komt een einde. Op de col herinner ik mezelf eraan van het landschap
te genieten. Dat lukt heel even. Ik hap naar adem. Als we er rekening mee
houden dat we op 400 meter hoogte zijn begonnen, dan hoeft het geen betoog dat
we er al een stevige klim hebben opzitten. Dik dertig kilometer met een
slordige 3000 hoogtemeters. Ik ben precies 5 uur onderweg. De opluchting is
echter zo kort als de staart van een bobtail. Na een korte passage over de col
duiken we een moordende afzink in.
Ik heb
gemerkt dat je als vlaklander die het gros van z’n trainingen in het
nabijgelegen natuurgebied afhaspelt met heel wat kan wegkomen. Zo lijkt het erop
dat ik bergop een heel eind mee kan met de meer begenadigde berglopers. Met een
goede conditie en wat kracht in de benen kom je blijkbaar al heel ver. Bergaf,
en met name in technische afdalingen, botsen we duidelijk op onze beperkingen.
Dat wist ik op voorhand. Komt daarbij dat ik verre van een natuurtalent ben in
dat soort van zaken. Ik bereid me voor op een aanzienlijke terugval in het
klassement en begin behoedzaam aan de afzink. Het heeft geen zin om te snel te
gaan, dan vermoord ik mezelf. Ik blijf binnen mijn eigen grenzen. Maar zelfs
dan sta ik bij momenten doodsangsten uit. Van zodra ik enige vaart begin te
maken, begin ik oncontroleerbaar te schuiven op de losse ondergrond. Ga ik te
traag verlies ik compleet mijn momentum en strompel en struikel ik over de
keien en rosten die het pad bezaaien. Zou ik hier dan toch beter af geweest
zijn met een stel battons?
“Godverdemme.”
Prevel ik doorheen mijn van angst opeengeklemde lippen. Het gaat ontiegelijk
traag. Trager zelfs dan de weg naar boven, lijkt het wel. Met de regelmaat van
de klok komt een loper van een andere afstand me voorbij gestoven. Wat een
kamikazes! Ik voel een hint van jaloezie voor hun kunde. Tot mijn opperste
verbazing word ik echter geen enkele keer ingehaald door een concurrent van de
100km. Wat vreemd! Zoveel voorsprong kan ik in die klim naar de col toch niet
genomen hebben?
Ik sta daar
echter niet al te lang bij stil. De volledige capaciteit van mijn zenuwstelsel
wordt opgeëist door mijn lijf dat probeert te vermijden ergens tegen een rots
te pletter te slaan.
***
Maar dan!
Langzaam maar zeker gaan de scherpe kantjes er wat vanaf. Ter hoogte van de
boomgrens is het nog wat worstelen met lange boomwortelorgieën en hachelijke
passages langsheen diepe afgronden maar hier en daar wordt een echte, welhaast
ongedwongen looppas weer mogelijk. Als het parcours dan eindelijk weer samenvalt
met bredere bospaden en minder halsbrekende singletracks kan ik zowaar weer
tempo maken. Ik prop muziek in mijn oren en dender naar mijn gevoel naar
beneden. Het lijkt alsof ik vlieg. Ik geniet ervan! Er volgen nog enkele kleine
knikjes die het tempo breken maar uiteindelijk belanden we op verharde
ondergrond. Ik loop helemaal alleen. Het lijkt alsof mijn benen zich te lang
hebben moeten inhouden tijdens de technische afdaling en zichzelf nu willen
losgooien. Op de dalende asfaltstroken haal ik snelheden rond de 15km/u en eens
in de vallei –het tussenstuk tussen Belledonne en Chartreuse- hou ik een tempo
van rond de 13km/u aan. Wat gaat het goed! Ik verbaas me erover dat ik me na
ruim 50km en 3300 hoogtemeters nog steeds zo sterk voel. Goedgeluimd kom ik aan
op de bevoorradingspost van Saint-Nazaire-Les-Eymes.
***
“Ik geef er
de brui aan.” Geeft de ander mee. Hij geeft een verslagen indruk. Het
Chartreuse massief bestijgend kom ik hem –terugkerend naar de
bevoorradingspost- tegen. Ook staaft hij mijn vermoeden.
“We zijn met
een twintigtal lopers verkeerd gelopen, in de beginfase van de wedstrijd.” Zegt
hij. “We krijgen allemaal een tijdstraf van 15 minuten. Jij trouwens ook!”
Die ‘jij
trouwens ook’ is niet naar mijn zin.
“Ik denk het
niet.” Repliceer ik. Ik heb altijd het parcours gevolgd. De ander gelooft het
niet en zet zijn aftocht verder.
Hoewel ik er
nog steeds zeker van ben dat ik de juiste route heb gevolgd, begin ik opnieuw
te twijfelen. Wat als ik me toch vergist heb? Wat als ik juist ben gelopen maar
de organisatie denkt dat ik dat niet
heb gedaan? Na lang peinzen en piekeren laat ik het eindelijk los en focus ik
me weer op de klim. Het eerste gedeelte heb ik enorm getreuzeld en getaffeld.
Omdat ik mijn zorgen en frustraties ergens kwijt moest, belde ik op een bepaald
moment zelfs mijn moeder op. Als er één iemand ter wereld is bij wie ik altijd
en voor alles terecht kan en immuun is aan mijn gezeur, dan is zij het wel.
***
Ondanks mijn
getreuzel komt er toch een andere loper in zicht. Het blijkt één van mijn onrechtmatige
voorliggers te zijn. Zonder al te veel moeite steek ik hem voorbij om niet veel
later een volgende in het vizier te krijgen. Het blijkt Thomas te zijn. Ik
krijg een boost. Ik dien mezelf opnieuw wat muzikale doping toe en ga opnieuw
over op een dribbelpas. Voorlopig zijn de paden van de Chartreuse zeemzoete
trailautostrades vergeleken met het inferno in de Belledonne. Geen kei of rots
valt er te bespeuren, wel een aangestampt aardepad door de bossen dat aan een
milde gradiënt de hellingen op kronkelt. Hupsakee! Nog een remonte. Deze keer
is het de patser met gespierde benen en Salomon outfit die me zo’n vijftig
kilometer eerder het nakijken gaf op de skipiste. En, o ja, daar verschijnt ook
de kerel uit Lille in mijn blikveld! Ik word overvallen door een dopaminerush
en spendeer amper een minuut of twee op de bevoorrading die zich enkele
momenten later aandient.
***
Al bij al
weet ik zo’n zeven lopers bij hun nekvel te grijpen. Het is enigszins bizar
maar ik voel me geweldig. Beter zelfs, dan een tiental kilometer terug. Mijn
energieniveau blijft constant. Mijn poten? Ja, die zijn zeker en vast vermoeid
en wat beurs maar eigenlijk lukt het nog om vlot vaart te maken in de
afdalingen en op de weinige vlakkere stukken. Enkel op de meer geprononceerde
hellingen is de fut er wat uit. Ook heb ik tijdens deze wedstrijd géén
darmproblemen gehad. Een wonder is geschied. Het tracé kliedert wat aan met
enkele op en neertjes om uiteindelijk dan toch de finale klim aan te vatten.
Met een serie nijdige haarspeldbochtjes over een wit gesteente gaat het omhoog
richting een draak van een rotstop. Blijkbaar doen we een retourtje up-and-down
want ik spot enkele andere lopers die alreeds aan de afdaling zijn begonnen. De
achterstand is niet extreem groot maar moeilijk om nog te overbruggen. Het
lijkt erop dat de posities bepaald zijn. De berg heeft iets bijzonders. Hij is
lelijk en wondermooi tegelijkertijd. Hoe hij daar éénzaam en onbevangen in zijn
gedrochtachtige naaktheid ligt te pronken. Oef, moeten we helemaal die knoert
van een rotsberg op? Gelukkig niet, het parcours streelt even over de schouder
van de reus alvorens weer af te dalen.
Tally-ho! De
afzink kan beginnen. Op de lieflijke
chartreusepaden valt er tempo te maken. Mijn benen verdragen een stevig
daaltempo nog wonderwel.
***
Hoe vlot een
ultraloop ook vermag te verlopen, er komt toch altijd een punt waarop het
welletjes is geweest. Gelukkig kwam dat moment ditmaal redelijk laat in de dag.
Na de lange afdaling volgden nog twee kleine beklimmingen. Op het hoogteprofiel
leken het twee te verwaarlozen knobbeltjes, nauwelijks het vermelden waard,
maar na ruim 80 kilometer en meer dan 5 hemelkilometers op de teller wil het allemaal
niet meer zo goed lukken. Elke meter naar omhoog wordt wandelend genomen.
Wanneer ik dan eindelijk de laatste stuiptrekking van het Chartreusemassief
achter me gelaten heb, lijkt die finale afdaling maar te blijven duren. Ze
hebben het erg lang uitgehouden maar uiteindelijk schreeuwen de quadricepsen
dan toch hun ellende uit.
Wat me
opbeurt: het uitzicht op Grenoble, dat stedelijke monster dat met zijn
tentakels tot diep in de vallei grijpt. De stad baadt in een warme avondgloed
en lijkt hoopgevend dichtbij. Het Golden Hour is aangebroken. En ook: het besef
dat ik de UT4M ruim onder de 15u zal eindigen, de tijd die ik mezelf voorop had
gesteld. Het wordt zelfs flirten met de 14u!
Eindelijk!
We kunnen de stad bijna aanraken. Ruiken lukt al. We staan op de Bastille van
Grenoble. O God. In de plaats van de gewone weg naar beneden te nemen, neemt
het parcours –bij wijze van sadistische apotheose- alle trappen van het
middeleeuwse bouwsel.
“Aaawtch,
aaarghl…”
Zuchtend en
steunend daal ik af. Ooit moet er toch een einde komen aan die kuttrappen? Een
zwoele warmte hangt boven de stad. Een bonte mengelmoes van toeristen, joggers,
groepjes vrienden en koppels tortelduifjes bevolkt de Bastille.
Ha! We
bereiken vaste grond. Een rode stippenlijn leidt ons blindelings doorheen de
straten van Grenoble. Dopamine, adrenaline en endorfine vormen een potente
cocktail in mijn vasculair stelsel. Als een bronstige stier die zijn koeien
ruikt, storm ik doorheen de straten van de metropool. Vanop de talloze
terrassen klinkt applaus en gejuich. Ik pers er nog een laatste kilometertje
aan gemiddeld 4’30” uit om tot slot als achtste over de finish te struinen.
14u06 had ik
nodig om de 97,5 km met net geen 6000 D+ af te werken. 1u21 meer dan de
winnaar.
Wauw. Wat
een sensatie. Ik ga zitten met het gevoel iets bijzonders neergezet te hebben.
Naar mijn inschatting is dit de beste prestatie die ik ooit in mijn leven heb
neergezet. Zonder verpinken krijg ik een biertje in mijn handen gedrukt. Ik
keuvel nog wat na met Hugo Smets, een 27 jarige, in Grenoble woonachtige Belg
die gaan lopen is met de tweede plaats. Wat later komt ook de kerel uit Lille
over de streep gebold.
Nadat we wat
ervaringen hebben uitgewisseld slenter ik richting mijn hotelkamer voor een
welverdiende diepvrieslasagne, een douche en de slapeloze nacht die immer lijkt
te volgen op een ultratrail.
Pikant
detail: na het verrekenen van de tijdstraffen voor de verkeerdlopers, wip ik in
extremis nog naar een zevende stek. Zorgen voor niks.


Reacties
Een reactie posten