Festival Trail Semois: diepe wouden en droge worst.
Raar of zelden doe ik dezelfde trail een tweede keer.
'Waarom niet?' hoor ik u luidop denken. Foute vraag! Waarom wel?
Hoe klein en godvergeten ons klootjesland ook moge zijn, en nog veel minusculer het gebied waarin er ook een soort van derde dimensie bestaat, toch is ons grondgebied bezaaid met parels van trails. Sommige groot en bekend, anderen wat meer verborgen maar daarom niet minder schitterend. Teveel om ze allemaal in één mensenleven te volbrengen.
Je kan het dus vergelijken met het lezen van een boek of het bekijken van een film. Ook dat doe ik nooit een tweede keer.
Maar af en toe duikt er toch een uitzondering op, bijvoorbeeld bij een DNF. Een boek dat zich nooit liet uitlezen. Of een evenement waaraan zoveel positieve emoties en herinneringen verbonden zijn dat er het verlangen ontstaat om die te herbeleven. In dat laatste schuilt het gevaar van de teleurstelling, aangezien de tijd nooit terug tikt en elke ervaring anders is en ervaren wordt door een ik die niet meer dezelfde is als weleer. Ook het risico van de vergelijking ligt op de loer. Het moet deze keer minstens even goed -en liefst beter- zijn dan de vorige keer.
Het Festival Trail de Semois valt hoe dan ook in de laatste categorie. Die zeldzame filmprent die ik een tweede maal savoureren wil. Ik liep 'm voor het eerst in 2019. Ik kwam toen totaal kapot als derde over de streep gehinkeld. Het was mijn eerste podium na een periode van gesukkel met blessures en tegenvallende resultaten én het begin van een mooie reeks uitslagen waar ik erg trots op was. Een soort van scharnierpunt, zou je welhaast kunnen zeggen. Bovendien herinner ik mij een fraai tracé doorheen de Zuid-Ardeense bossen met hier en daar de nodige techniciteit en voldoende hoogtemeters zonder dat het overdreven wordt. Bij wijze van dessert krijg je een verrassende bestijging van een middeleeuws kasteel aangeboden.
Dat een bepaalde ervaring nooit of te nimmer dezelfde kan zijn, wordt ook hier bewezen. Om te beginnen heb ik drie jaartjes meer op de teller staan. Ik ben niet helemaal dezelfde Tim meer als drie jaar geleden. Dit jaar heb ik er al een paar trails op zitten waar ik stuk voor stuk trots op ben en heb ik de week voordien spontaan besloten om de FTS te lopen als laatste lange voorbereiding op de UT4M eind juli. Geen taper dus, geen al te hoge verwachtingen. Wat absoluut niet wil zeggen dat ik van plan was om de dag zelf niet het onderste uit de kan te halen moest dat nodig zijn.
***
De pre-ultra routine voelt intussen erg vertrouwd aan, het is bijna een ritueel geworden. Opstaan, zo vroeg dat zelfs die godverdomde klotehaan van de buren nog niet aan het kraaien is gegaan. Havermoutpap met water en een banaan. Een grote tas espresso erbij. Het eerste toiletbezoek van vele. Tegenwoordig voel ik me cool voorafgaand aan een wedstrijd. Rustig en gegrond. Niet meer zo nerveus en faalangstig als enkele jaren terug. Althans dat probeer ik mezelf wijs te maken. Mijn darmen spreken nog altijd hun eigen waarheid.
In de auto: de strontlelijke ring van Brussel -wurgstrop van de hoofdstad- bij dageraad. Mijmeren, muziekje op. Een tweede beker espresso gaat voor de bijl. Tot slot: klokslag twee uur voor de effectieve start van de wedstrijd duw ik nog twee rijsttaartjes in mijn kop. En o ja, nog een obligaat toiletbezoekje in een benzinestation langs de E411. Altijd dezelfde halte in dezelfde eet- en schijthaven.
En elke keer denk ik dezelfde gedachte:
"Voor een betaaltoilet is het hier schandelijk smerig."
Toch kom ik elke keer terug.
***
De start vindt plaats op hetzelfde pleintje als dat drie jaar geleden het geval was geweest. Een uurtje vroeger wel, want dit jaar moeten er geen 55 maar 66 kilometers verteerd worden. I like it. Meer trailplezier. En een dikke 60 km vind ik qua afstand erg mooi. Lang genoeg om het ultragevoel te induceren maar kort genoeg om er geen slaaptekort aan over te houden en nadien niet dagenlang in de lappenmand door te moeten brengen. Enerzijds een afstand die vraagt om een goed ontwikkeld duurvermogen maar die anderzijds ook nog vrij snel kan gelopen worden.
Na het startsignaal gaat het een poosje doorheen de straten van Herbeumont. Op het asfalt hou ik een tempo van rond de 16km/u aan en daarmee neem ik meteen wat afstand van het achtervolgende groepje. Er is een jonge hengst die me wild hijgend komt voorbijgesneld. Zijn gladde, bruine benen draaien overuren. Tot tweemaal toe valt er een sportreep uit zijn racevest. Telkens keert hij terug om deze op te rapen waarna hij me weer voorbijsteekt. Het heeft iets nerveus. Ik laat het wat gebeuren en nestel me in zijn zog terwijl we de eerste helling van de dag opdraaien. Wederom verliest hij zijn reep. Ik tik hem op de schouder om hem attent te maken op zijn verlies. Ten derde male keert hij terug om z'n voeder van de grond te rapen. Het is de laatste keer dat ik hem zie.
Het is meteen een kuitenbijter van formaat die het best van al hikend kan genomen worden. De startadrenaline maakt echter dat ik hem grotendeels lopend en dribbelend neem. Achter mij vormt zich een mini-karavaan van lopers die hijgend de helling opzwoegen. Ook mijn ademhaling krijgt wat meer gewicht en de hartslag klinkt als een oorlogsdrum. Toch heb ik de energie om op het einde van de helling meteen weer een vlot loopritme te vinden. Ik maak me los van de karavaan.
In 2019 startte ik aan een meer behouden snelheid. De eersten gingen er toen aan een gevleugeld tempo vandoor en ik probeerde niet eens te volgen. 55 km, dat was een afstand die me toen nog steeds een gevoel van nederigheid oplegde.
Ik merk dat ik zonder al te veel moeite te doen steeds verder uitloop op mijn dichtste achtervolgers. Na enkele kilometers bespeur ik nog twee kapers op de kust. Het ego is een vies beestje. Stiekem geniet ik van het gevoel van controle. Het tempo bepalend, moest ik het echt willen dan zou ik me kunnen losmaken. Maar waarom meer moeite doen dan nodig? En eigenlijk heb ik heb helemaal niet zoveel zin om nu al helemaal alleen te lopen. Dus loop ik verder aan een vlot maar niet té intensief tempo. Even krijg ik het zelfs wat hoog in mijn bol: zou ik deze wedstrijd kunnen winnen, zonder al te veel moeite? Ik merk deze egoïsche gedachtegang in mezelf op en zet mentaal een stapje terug. Het is maar lopen. Hoewel ik de neiging heb om me met deze activiteit te identificeren is het maar een deel van mezelf. Een belangrijk deel. Maar tegelijkertijd klein en fragiel. En tijdelijk. Niets is voor altijd en alles is relatief. Terwijl ik dit denk, kan ik elk moment mijn enkel omslaan op de meest gruwelijke manier en zijn dit misschien mijn laatste looppassen ooit geweest.
Na een tiental kilometer bereiken we de eerste bevoorrading. Mijn twee achtervolgers arriveren een weinig later. Mijn hart maakt een sprongetje wanneer ik een verse fles Coca Cola zie klaarstaan. Het lijkt erop dat men deze keer wel de juiste brandstof ter beschikking heeft. In enkele seconden kloek ik twee bekers van het spul door mijn keelholte. Vervolgens neem ik nog even de tijd om mijn softflasks te vullen met platwater. Jawel, softflasks! Een primeur. Jarenlang heb ik lopen rondzeulen met een klotsende kamelenzak op mijn rug. Toen ik voor mijn tweede plaats op de Bouillonante een Salomon racevast met bijbehorende softflasks cadeau kreeg, gaf ik dit onder moderne traillopers meer gangbare irrigatiesysteem voor het eerst een kans. Helaas bleek het al snel een dikke vette teleurstelling te zijn. De harde onderkant van de flasks irriteerde mijn ribben op een zodanige manier dat de pijn na een tiental kilometers gewoon ondraaglijk werd. Nadien liep ik nog dagenlang rond met twee beurse plekken, drie ribetages onder beider tepels. Gelukkig boden de softflasks van Kalenji -het huismerk van Decathlon- soelaas. Zachter en daardoor geen irritatie. Wel vallen ze iets breder uit en vraagt het -waar de originele flasks zo de vest in glijden- wat meer prutswerk om ze weggestopt te krijgen.
Is het niet altijd wel iets?
Heerlijk. Op een wip en een flik ben ik klaar op de bevoorradingspost. Is dit een scharniermoment in mijn trailloopbaan? Normaal gezien verlies ik telkens ettelijke minuten door het gesukkel met mijn kamelenbult. Wat als ik dit in de toekomst kan vermijden? Over een lange afstand kan dat heel wat verschil maken. Op korte afstanden misschien nog meer. Tijdens een ultra van 160km kan je een minuutje achterstand nog relatief gemakkelijk dichtrijden, tijdens een trail van 30km waar het tempo veel hoger ligt, kan het de fatale nekslag zijn.
De Coca geeft me vleugels. Ik versnel enigszins maar stel vast dat ik één van beide achtervolgers niet zomaar kwijt geraak. Mijn ego krijgt het deukje dat het nodig had. Het parcours is opvallend groen en slingert voortdurend doorheen de dichte Zuid-Belgische wouden. Zo nu en dan komt de Semois in beeld. Asfalt valt er nauwelijks te bespeuren en traversen doorheen meer open landbouwgebied zijn eerder zeldzaam. Tegelijkertijd is het parcours ook niet erg zwaar. Assez roulant, zouden de Franstaligen zeggen.
Er vallen beslist meer hoogtemeters te rapen in deze streek. Denk maar aan de Bouillante of de Trail du Jambon. Die laatste heb ik overigens zelf nog nooit gelopen. Maar moet dat altijd? Het is niet omdat iets kan dat het ook moet. Ik vind het alleszins niet erg. Na de Ohm trail had ik het gevoel dat ik voldoende hoogtemeters voor een half leven had voorgeschoteld gekregen. Ik kan even voort. We moeten niet altijd gans uitgedroogd en met het snot voor de ogen over de finish strompelen. Het mag toch ook eens gewoon gemakkelijk en leuk zijn?
Na een passage langsheen de Semois -slagader van de Gaume en de Zuidelijke Ardennen- gaat het lang en vloeiend omhoog over een breed bospad. Ik maak goed tempo en krijg een mooi overzicht over de ganse helling en het pad dat er naartoe leidt. Ik stel vast dat mijn achtervolger zich -zij het op enige afstand- nog steeds hardnekkig vastbijt in mijn spoor. Van de andere deelnemers geen spoor.
Ik begin me zorgen te maken. Ik heb duidelijk een goede dag. Ondanks de relatief zware trainingsweek voelen de benen fris en monter. Maar zo veel sneller kan ik toch niet zijn? Slechts enkele kilometers terug liepen er nog meerdere lopers vrij kort achter me. Zijn we verkeerd gelopen? Hebben we een lusje afgesneden? Aangezien ik gespecialiseerd ben in het verkeerd lopen, maakte ik me al van in het begin zorgen over het niet hebben van een gpx. Aangezien het gros van het tracé over privégronden slingert, heeft de organisatie de route niet openbaar gemaakt. In ruil daarvoor hebben ze wel een uiterst goede job gedaan wat het markeren betreft. Zelfs een kleuter zou in principe niet mogen verdwalen als je 'm zou inpeperen dat hij de blauwe lintjes moet volgen. Maar toch, een markering is snel gemist en voor je het weet, snij je heelder kilometers van het parcours af zonder het zelfs in de gaten te hebben. Het is me al eerder overkomen.
Zou het?
Mijn gedachten slaan op hol en wanneer ik na 19 kilometer nog geen verzorgingspost ben gepasseerd, weet ik het plots zeker. We zijn de mist ingegaan. Verdomme! Had men op de vorige post niet gezegd dat de volgende zich na 7 km zou aandienen? Ik besluit te vertragen om te kunnen overleggen met mijn dichtste achtervolger. Ik laat het tempo aanzienlijk zakken en wat later sluit hij aan.
"Ik denk dat we verkeerd zijn gelopen." zeg ik. Er staat weinig haar op mijn Frans vandaag. Mijn Frans taalgebruik is wisselend. Ik heb van die dagen dat het best vlot gaat en er zijn er ook waarop ik als een halve debiel sta te wauwelen in het koeterwaals.
De ander is er heel zeker van dat dat niet het geval is.
"Maar er zou enkele kilometers terug toch een bevoorrading moeten zijn?" werp ik tegen. "En waar zijn alle achtervolgers plots gebleven?"
"Neen, de volgende bevoorrading is echt pas op 24km," stelt hij mij gerust.
De doemdenker in mij heeft er enige moeite mee om hem zomaar te geloven. Maar uiteindelijk stelt zijn zelfzekerheid me gerust en laait de hoop weer op. Ja, we zijn juist.
We zijn juist.
***
Effectief. We zijn juist. Ik moet het mis begrepen hebben want de volgende verversingspost dient zich inderdaad aan na een kilometer of 25. Met een thermometer die een anorectische zes graden aangaf bij de start, waren de temperaturen tijdens de eerste kilometers maar magertjes. Intussen heeft de zon het kwik al stevig doen aandikken en laaf ik me gretig aan een combi van cola en platwater. De softflasks worden weer gevuld, ik ram nog een schijf appelsien door mijn strot en zet het terug op een lopen. De ander was ondanks mijn record-vlotte bevoorradingsroute toch nog nét iets sneller. Ik ben een geboren taffelaar. Het moet zijn.
Die ander schijnt de naam Nathan Delbecq te dragen. Zijn naam doet ergens ver weg een belletje rinkelen maar zijn smoelwerk komt me weinig bekend voor. Soms lopen we langszij en keuvelen we in een mengeling van beschimmeld Frans en een Nederlands dat eerst doorheen een papierversnipperaar is gepasseerd. We proberen, dat is wat telt. Meestal echter loopt hij nét enkele meters achter mij. Na een tijdje besef ik dat ik negentig procent van de tijd al het kopwerk op mij aan het nemen ben. In het begin vond ik dat niet erg maar na een tijdje merk ik dat het mij begint te enerveren. Zo nu en dan poneer ik een prikje, ik neem dan wat afstand maar nooit veel en steeds weer keert hij terug om dan weer een vijftal meter achter mij te blijven hangen. Jawel, het begint me officieel te irriteren. Waarom eigenlijk? Welk stuk in mij wordt hierdoor getriggerd? We lopen samen, maar toch ook weer niet. Er is weinig verbinding want ik zie hem niet. Maar ik weet wel dat hij er is. Het jaagt me wat op. Is het mijn ego dat bang begint te worden dat Nathan misschien toch sterker is, aangezien ik hem er niet zomaar krijg afgelopen?
Ergens moet Nathan het ook gevoeld hebben.
"Sorry dat ik niet vaker overneem." zegt hij. "Ik kan maar net volgen en ik ben bang om naar het einde toe te exploderen."
Nu het uitgesproken is voel ik mezelf verzachten. De irritatie verdwijnt. We zetten onze solo-duo tocht doorheen het beboste heuvellandschap verder. Het parcours bestaat uit een mix van singletracks, wat bredere bospaden en hier en daar een rotsgraatje met een fraai uitzicht over de meanders van de Semois. Niet zelden zijn er stukken -vooral in de afdaling- waarop het tracé dwars door de wouden snijdt. Geen pad. De grootste moeilijkheid zit hem voor mij in de ellenlange stukken met hoog gras en overgroeide paden. Elke pas opnieuw moeten de uitzwaaiende voeten door het lange gras maaien en dat begint op den duur wat te wegen. De hellingen doen we zo goed als allemaal lopend of dribbelend. Natuurlijk begint de vermoeidheid progressief toe te nemen tijdens een tocht van ruim zestig kilometer maar mijn energiepijl voelt als een constante en krachtige stroom. Ook mijn maag trekt het nog goed en aanvaardt het gelletje dat ik er om de 45' minuten in leeg knijp. Zo nu en dan split ik er eens een Snickers tussen.
In 2019 kreeg ik nog voor de helft de wedstrijd een gigantische slag van de hamer. De energie vloeide uit me weg en ik was duizelig en misselijk. Een fenomeen dat jarenlang elke wedstrijd weer een struikelblok bleek te zijn. Ik hielp mezelf er weer bovenop met sloten cola en wat muzikale doping. Mijn tempo stortte ineen en de afstand met de eerste lopers werd onoverbrugbaar. Toch wist ik mezelf weer bijeen te rapen en begon ik aan een inhaalrace. De constante energie die ik tegenwoordig ervaar is een gift. Het maakt alles zoveel leuker. Ligt het aan het feit dat ik een ander soort van gels ben beginnen gebruiken en sportdrank heb vervangen door ORS? Of is het simpelweg mijn lijf dat door de jaren heen meer gewend is geraakt aan dit soort van inspanningen? Beide?
"Jusqu'à présent, le parcours était encore assez roulant. Ça devient plus sympa à partir d'ici."
De woorden van één van de organisatoren op de voorlaatste bevoorrading. Hij spreekt ze uit met een schalkse grijns op zijn gelaat. Hij blijkt gelijk te hebben. De flanken van de Vallée de la Semois worden uiteindelijk toch wat meer benut. De hellingen volgen elkaar in een steeds hoger wordend tempo op en we krijgen steilheidsgraden voorgeschoteld die we nog niet eerder zagen passeren. Voor een Bouillonante en een Ohm zouden het modale hellingen zijn geweest maar voor ons voelt het -zo in de finale van een lange tocht- nu toch als een venijnige staart. Tegelijkertijd begint vanaf kilometer 50 de vermoeidheid wat meer toe te nemen. Wat later voel ik toch ook een lichte misselijkheid opkomen en lijkt de energie wat weg te lekken. Het tempo zakt en steeds vaker nemen we de steilere hellingen hikend. Nathan neemt nu wat vaker het voortouw en hier en daar moet ik zelfs wat aanklampen. De rollen zijn omgekeerd. Ik stem mijn tempo op het zijne af en probeer hem niet verliezen. Ik besef dat het verschil zal gemaakt moeten worden in de laatste kilometers. Van Nathan leer ik intussen dat de trail enkele kilometers langer zal uitvallen dan op papier staat. Zo'n 68 ipv 66. Blijkbaar werd dat gezegd tijdens de briefing maar wellicht was ik niet goed aan het opletten.
***
Wow! Zo'n acht kilometer voor het einde spuit ik een Double Espresso Gel in mijn lijf. Die heb ik bewust bewaard tot op het einde. De smaak is weerzinwekkend maar het goede nieuws is dat het spul zo'n 150mg cafeïne bevat. Het equivalent van twee goede koffies. Niet veel later voel ik een lichte rush opkomen. De weeë misselijkheid gaat niet helemaal weg maar mijn energiepijl herstelt zich gevoelig. Wanneer we de zoveelste helling bestijgen merk ik dat er onbedoeld een klein kloofje tussen Nathan en mij ontstaat. Ik werp een blik op mijn GPS horloge. We zijn zo'n drie kilometer van het einde verwijderd. Kan ik er nog een snelle drieduizend meter uitpersen? Ik denk niet verder na en en versnel op de helling. De kloof diept zich uit. Eens boven weersta ik de neiging om stil te vallen en trek ik meteen door. Wanneer het weer in dalende lijn gaat probeer ik zo snel te lopen als ik kan. Ik kijk nog 1x achterom: Nathan is alreeds uit het zicht verdwenen. Ondanks de vermoeidheid zat er diep in mijn zakken nog een laatste cartouche verstopt. Opgefokt van de cafeïne en de adrenaline stort ik mij wild in de afdalingen en pers ik het beste uit mijn benen in de laatste hellingen. Intussen geeft mijn horloge aan dat ik er al 68km op heb zitten. Het parcours voert ons over een smalle rotsgraat die ik herken van mijn vorige deelname.
Ik weet: het einde is nog niet in zicht. Hierna komt nog een afdaling, gevolgd door een fraaie maar steile beklimming richting een kasteelruïne. Pas dan mogen we de finale afzink richting Hebeumont aanvatten. Mijn moraal krijgt even een kleine knauw. Heb ik te vroeg aangezet? Het tempo valt terug wat stil op de technische richel. Het ene na het andere klauterstuk dient zich aan. Het is welletjes geweest. Met enige nervositeit kijk ik achterom. Ik verwacht dat Nathan elk moment weer in zicht komt. Het slappe gevoel keert weder. Toch tast ik een laatste keer diep in de buidel en maak wat extra tempo op de beklimming naar het kasteel. Déja vu. De ladder met strobalen die me naar het erf van de ruïne brengt. Een traverse over de binnenplaats en nadien een passage langs de buitenmuur. Dan pas dient zich de finale afzink aan. O God. Het is nog niet voorbij. Nog een vlak stuk door de straten van Herbeumont. De finish komt in zicht. Muziek dringt mijn oren binnen. Er is zelf gejuich. Een publiek. We maken nog een finaal rondje over de aankomstzone. Een soort van triomftocht maar voor mij hoeft het niet meer. Toch kan het mij niet schelen. Ik heb vleugels.
Meteen bij aankomst krijg ik een beker pilsbier in mijn zweetpollen gedrukt. Oef. Die Ardenezen weten wat een mens nodig heeft na een trailtocht die uiteindelijk geen 66 maar ei zo na 70 km lang blijkt te zijn.
In 2019 ruilde ik in de laatste kilometers een vierde plaats in voor een derde. Ik finishte een half uur na Sebastien Henrotte die als tweede over de meet kwam. Michael de Cooman -de winnaar- eindigde liefst een uur voor ondergetekende. Ik kon het niet laten om op Strava de vergelijking te maken met de editie van 2019. De editie van 2022 telt zo'n twaalf kilometers en 400 D+ meer dan de editie van drie jaar terug. Toch had ik voor deze editie maar een half uur langer nodig.
Nathan kwam enkele minuten later over de meet gelopen. We genoten samen van het gratis pilsje en troffen elkaar later weer op het podium. In afwachting van het podiumritueel socialiseerde ik met enkele heren met wie ik onder de douche aan de praat geraakte. In 2019 nam men een heus interview af op het podium. Met de nodige schaamte bestookte ik het publiek met mijn amechtige koeterwaals. Gelukkig blijven we ditmaal gespaard van zulke plichtplegingen.
En de prijs? Een best fraaie trofee, vergezeld van een droge Ardeense worst. Ik bedankte vriendelijk.
"Merci, mais je suis végétarien."
Wie duidelijk niet vegetarisch door het leven gaat, dat is het gezelschap dat ik mee terug naar huis nam. De volgende dag trof ik liefst tien teken aan op mijn onderste gestel.
Reacties
Een reactie posten