De Bello Gallico: een veldtocht doorheen een treurig decemberpallet.

Doorheen de ijle mistflarden die mijn hoofd vullen, kan ik me nog net bedenken hoe ironisch de situatie wel niet is. 

'Dat moet nu toch lukken?' mijmer ik. 'Dat ik de Bello Gallico op net dezelfde manier eindig dan in 2019.'

Liggend op mijn rug die door een bruin deken -wie weet ook hetzelfde als in 2019- gescheiden wordt van de koude vloer van de Roosenberg. Ik kon letterlijk niet dieper aan de grond zitten. Onwel. Krullend van de miserie. Maar ook omringd door mensen die bezorgd zijn om mijn welzijn. 

'Gaat het al wat meneer?' vraagt iemand. 

'Moet je nog een druivensuiker hebben?' oppert een ander.

Flauwtjes schud ik mijn hoofd. Aan mijn lijkwitte gelaat zal het niet af te lezen zijn. Ook mijn verkrampte, op een stervende foetus gelijkende lijf, verraadt weinig joie de vivre. Maar ik ben gelukkig. Blij. Tevreden.

Het kan me geen ene fuck schelen dat mijn benen net zo'n 100 keer zwaarder zijn geworden en mijn hoofd nog eens het tienvoud daarvan lichter.

Want je hoeft niet eens een overdreven optimist te zijn om toch ook de verschillen te kunnen zien met de editie van 2019.

Om te beginnen: deze keer ben ik gefinished. Twee jaar geleden is men mijn lijf -of wat daarvan over bleef- uit de modderige, donkere velden rond Bierbeek moeten komen oprapen. Akkoord, het is geen mooie finish geweest. En al zeker geen elegante, hoe ik de reling van het hellend vlak richting podium hartstochtelijk vastklampte, ten einde de laatste hoogtemeter richting eindmeet te overbruggen. 

Maar bon, in het ultralopen mag men niet altijd te kieskeurig zijn. Een finish is een finish. 

En daarbij: is de weg er naartoe niet sowieso hetgeen wat écht telt? 

***

De weg er naartoe verliep alleszins wat vrediger dan dat bij de Great Escape het geval was geweest. Toen was ik voor de start al op geweest van de stress en de zenuwen. De 100 mijl demonen hadden mij toen in een stevige wurggreep genomen. De ene na de andere DNS en een DNF hadden mij toen hoogst onzeker gemaakt over de vraag of ik al dan niet beschikte over de fysieke en mentale sterktes die nodig zijn om een tocht van 160km of meer tot een goed einde te brengen. Aangezien de Great Escape 2021 mij na een lange solotocht als winnaar baarde, was de vraag of een 100 mijl wel binnen mijn mogelijkheden lag, met kracht van tafel geveegd.

Ook was de druk om per se zo'n monster te verslaan wat van de ketel. Het ding was van de bucketlist gekegeld. Niet dat mijn honger om 100 mijlers te vreten, gestild was, integendeel. Nee, er was vooral weer wat ruimte voor mislukking.  

Thans had ik de dagen voor de start een vrij bevredigende nachtrust en stond ik voor zover dat mogelijk is met een wekker die om 1:00 de dag tot leven kwaakte, uitgerust aan de start van de Bello Gallico. Toen ik om 2:00 richting start tufte, werd ik weer eens geconfronteerd met de mafheid van de hele situatie. Doorheen het raampje van mijn auto zag ik een eenzame nachtbraker onderuitgezakt voor z'n televisie zitten. De beelden dansten als een diffuus lichtspel achter het gordijn. Klaar om te gaan slapen. Ik daarentegen, was alweer opgestaan om een draak van een afstand te gaan bevechten. 

Het gekke van al: dat er toch nog een tweehonderdtal andere mafketels en mafketelinnen bereid gevonden worden om mee die draak te gaan bekampen. Méér als men de wandelaars daar nog eens bijrekent. Stuk voor stuk mensen die er op de één of andere manier voordeel inzien om midden in de nacht op te staan, ten einde een donkere, treurige tocht af te leggen doorheen deplorabele Vlaamse landschappen. Blubber, kasseistroken en veenachtige stukken, het zit er allemaal in. Zelfs de allersnelsten -de groep waar ik mezelf wel mag bijrekenen- doen er nog steeds zo'n 16 uur over, de meer gezapigen ruim het tweevoud!

Waarom? In godsnaam?

Die vraag gaan we hier niet proberen te beantwoorden. Het zou ons ten eerste te ver weg leiden van het wedstrijdverslag zelf en misschien nog erger: het brengt ons misschien wel naar de donkerste krochten van onze ziel. Weg waarom! Voor nu nemen we gewoon genoegen met een dikke, vette DAAROM! 

***

Bij de start bespeur ik al meteen enkele sterke ultralopers. De immer-winnende Ivo Steyaert, mét kerstmuts. Irene Kinnegim, de oersterke Nederlandse die in 2019 bestek legde op de tweede eindplaats. Benny Keuppens, die zelden niet op het podium eindigt en verder nog een heel aantal anderen die me minder of helemaal niet bekend zijn maar met de nodige geestdrift aan de startlijn staan te trappelen. Op dat moment weet ik: een lange solotocht richting overwinning zal het deze keer écht niet worden. 

En maar goed ook.

Nadat het verbale startschot gegeven is, schieten de hengsten en merries uit de startblokken. We glibberen en glijden over de natte pontons langs het water. 

'Waarom gaan we in godsnaam toch zo snel?' vraag ik mij af. 'Het is nog retever en op het einde gaat het toch allemaal een stuk trager.'

Toch doe ik lustig mee met de gekheid. 

Van zodra dat kan, ruk ik op naar voren en haak ik mijn wagonnetje aan de trekhaak van Benny, die gezien de nog af te leggen afstand aan een snoeihard tempo vertrokken is. Er vinden wat positiewissels plaats, lopers komen en gaan weer, haken aan en weer af. Maar eerlijk: heel erg veel scherpe herinneringen aan die fase van de wedstrijd heb ik niet meer. Achteraf lijken die eerste kilometers zo naïef en onbenullig. Alleszins bevonden we ons na zo'n tien kilometer in triumviraat met de dichtstbijzijnde achtervolgers op enige afstand. Benny, Jan en ikzelf. We babbelen de kilometers vlot weg en een mens zou haast gaan denken dat het er gezapig aan toegaat. Toch schommelen de snelheden tussen de 12 en de 14km/u. 

Geregeld wordt er uitgesproken: "We gaan te snel."

Of: "Dit houden we niet vol tot op het einde."

Maar niemand vertraagt. Stiekem weet ik wel dat dit niet de meest verstandige benadering is om een 100 mijl te finishen maar ergens voel ik ook het verlangen om een agressief tempo aan te houden, om eens te kijken wat mij dat brengen zal. En ook: vertragen doe je altijd op het einde, kan je dan maar niet beter snel vertrekken?

Cognitieve dissonantie. 

Aan de eerste CP op 20km verspillen we weinig tijd. Wat vocht erin, evenveel vocht er weer uit. Dan weer verder in triumviraat. Bij ons vertrek komen de eerste achtervolgers alweer toe. Ondanks het hoge tempo hebben we zeker geen al te grote kloof geslagen! 

We ploeteren verder door een picasso van modderstroken, boslanen en veldwegels totdat we het CP op 40km bereiken. De benen voelen nog ok, de gevreesde heuppijn blijft voorlopig uit en alle andere parameters staan ook nog in het groen. Toch neem ik me voor om op het CP afdoende tijd te nemen om te herbronnen, iets te eten, wat spullen uit mijn drop bag te nemen en voldoende te hydrateren. 

Helaas speculaas, van dat plan komt niets in huis. Terwijl ik in de tent over mijn dropbag gebogen sta, komen Ivo en Irene als twee onzichtbare geesten voorbij gefladderd. De mannen met wie ik op stap was, moeten de achtervolging ingezet hebben want plots sta ik alleen op het checkpoint. 

What the...? 

Nog nét zie ik de vleespet van Benny tussen het struikgewas verdwijnen. Teleurgesteld dat ik niet het minste beetje hebben kunnen onthaasten op dit eerste rustpunt, vraag ik nog snel een vegetarische wrap op het CP, bedank de vrijwilligers en zet smullend de achtervolging in. Die wrap had zoveel beter gesmaakt als ik even was gaan zitten Nu al merk dat de beleving heel anders zal zijn dan tijdens de Great Escape. Toen had ik op het CP van 40km het gevoel nog geen pas teveel gezet te hebben en vond ik dat het allemaal wat te traag ging, ondanks het feit dat ik een heel conservatief tempo aanhield. Nu voelt het allemaal al wat op het scherp van de snede.

Dankzij een kleine tempoversnelling weet ik Benny en Jan al snel weer bij te benen. Er hebben zich blijkbaar nog enkele anderen bij ons triumviraat gevoegd, waaronder Wesley met wie ik de eerste kilometers van de Great Escape samen aflegde. 

In een vlaag van overmoed, besluit ik het groepje achter mij te laten en de sprong richting Irene en Ivo te wagen. Ik voer het tempo op maar de colonne blijft hardnekkig in mijn zog hangen. In mijn nervositeit neem ik een verkeerd afslagje en leid ik ons treintje doorheen een ondergelopen weide. Een hachelijke klim over een prikkeldraad brengt ons gelukkig weer op het juiste tracé. Plots zie ik heel dichtbij het rode knipperlichtje van een hoofdlamp. Blijkbaar hebben we ondanks het klooien en kloten toch wat terrein kunnen goedmaken! Al snel begrijp ik hoe dat komt. Wat volgt is een kniediepe blubberstrook, afgewisseld met stukken spekgladde, schots en scheef hangende houten loopbrug. Lopen, zelfs dribbelen is uit den boze. Het is een huzarenstukje om überhaupt recht te blijven. Het rode lichtje verdwijnt langzaam weer uit het zicht. 

Wél slaag ik er -deze keer ongewild- tot mijn verbazing in om van het groepje weg te lopen. Wat verderop, in een soort van veenachtig stuk, haal ik dan toch Irene in. Ze lijkt een stuk minder tempo te maken dan dat dat twee jaar geleden het geval was geweest. Is ze minder in vorm? Loopt ze tactischer? Of ben ik beter dan twee jaar geleden? Of ben ik misschien nog dommer en roekelozer geworden met de jaren? Hopend dat het niet dat laatste is, vervolg ik mijn weg. Even beland ik in een soort van niemandsland maar niet veel later zie ik het achterlichtje van Ivo achter een bocht verdwijnen. Wederom draai ik het gas wat open en maak de jump. Ik heb toch twee kilometers aan 4'30" nodig om dat te bewerkstelligen. 

Van zodra ik de aansluiting vind bij Ivo, probeer ik een gesprek aan te knopen maar ik voel aan dat hij hier weinig zin in heeft. Bovendien lijkt hij doelbewust wat te vertragen. Het lijkt mij nog het beste om gewoon mijn eigen tempo te lopen. Thans versnel ik weer een heel klein beetje en kom ik alleen aan de leiding te lopen. Mijn ego krijgt even een streling, de realist in mij beseft dat dit geen al te strak plan is. 

Ik voel aan dat de verhoudingen hier anders liggen dan tijdens de Great Escape. Zo vroeg al op kop lopen, in zo'n sterk bezette wedstrijd, dat kan alleen maar tot teleurstelling leiden, besef ik. Toch ga ik stug door. 

Ondertussen breekt de dageraad aan. Geen zonsopgang. Geen doodbloedende nacht, de dag kon niet geruislozer geboren worden. Alsof er zachtjes aan een knop gedraaid werd en het hemeltimbre geleidelijk van zwart naar grijs werd geschakeld. 

Er volgt weer zo'n stuk waar ik vrij weinig herinneringen aan overhoud. De bossen en de weiden liggen zij aan zij treurig te wezen onder dat grijze watten deken van een hemel. Het lijkt wel een landschap dat op het doek gebracht is door een schilder met een klinische depressie. De eerste pijntjes duiken al op. Verdorie, nu al! En voel ik daar geen vermoeidheid? Zo vroeg al? 

Mag het alstublieft? werpt mijn milde zelf tegen. Met amper drie uur slaap zou het voor minder. Een normale mens zou de dag in de sofa doorbrengen en eens vroeg gaan slapen. 

De gedachte om nog ruim 100km alleen te lopen, stoort me. Verontrust me. Het lijkt me weinig realistisch en nogal eenzaam. Tijdens de Great Escape had ik dat niet erg gevonden. Het warme nazomerzonnetje en de immer veranderende Luxemburgse landschappen waren toen een bron van inspiratie geweest. Ik voelde me toen -ondanks de stressvolle aanloop- erg gecenterd en mentaal sterk. Diezelfde innerlijke energie lijk ik nu niet te bezitten. 

Het voelt dan ook bijna als een opluchting wanneer ik Jan, rond een km of 60, zie terugkomen vanuit de achtergrond. Ik doe niet de minste moeite om hem voor te blijven. Even vrees ik dat hij me alleen zal achterlaten in de Brabantse modder maar op de één of andere manier blijven we aan elkaar kleven. 

Jan en ik vinden elkaar vrij snel in gesprek en de kilometers glijden weer vooruit. Het tempo, dat ik wat heb laten slabakken, gaat ongemerkt weer de hoogte in. Vlot werken we weer kilometers tussen de 4'30" en de 5' af. Ik heb geen idee meer of hij me vlak voor of vlak na het CP op 60km opraapte. 

Confronterend hoe snel herinneringen vervormen en verbuigen met de tijd!

Wel associeer ik in mijn geheugen de periode tussen 60km en 80km met kracht en vlotheid. Het gaat goed vooruit. De gesprekken vallen zelden stil. Een enkel moment geef ik aan dat ik me even terugtrek in mijn cocon en dien ik wat muzikale doping toe. Zodoende bereiken we het halfweg punt op 80km in 7u07min. Dat is tegelijkertijd verontrustend en geruststellend snel. Verontrustend omdat ik maar al te goed besef dat ik dit nooit nog eens ga herhalen. Dat zou een tijd van 14u14' opleveren. 

Not gonna happen!

Ernstig verval lijkt dus onvermijdelijk. Anderzijds: zelfs als ik twee uur langer zou doen over de tweede helft -wat veel is- dan nog zou ik rond een mooie tijd van 16u eindigen. Daar kan ik mee leven! Er is dus wat reserve, en dat geeft rust in de kop.

***

Tijdens de Great Escape voelde ik mij ijzersterk op het halfweg punt. Mijn benen gaven de indruk dat ze nauwelijks een gezapige tocht van 30km geabsorbeerd hadden, geen ruige trail van 80km. Ik voelde een innerlijke rust en kracht die ik zelden in mijn leven ervaar. Beheerst en mindfull werkte ik mijn routines af. Ik permitteerde me de nodige tijd om te eten, naar het toilet te gaan en mijn dropbag uit te laden. En dat zonder onnodige tijd te verspillen. Ik lag op dat moment 5km voor op de dichtstbijzijnde achtervolger zonder echt over mijn grenzen te zijn geweest.

CP 80km van de Bello Gallico kan niet schriller in contrast staan. Jan die meteen aankondigt dat hij zo snel als mogelijk weer wil vertrekken. Shit, denk ik. Ik hoopte stiekem dat hij ook wat zou blijven plakken zodat ik rustig mijn tijd zou kunnen nemen. De laatste kilometers was ik echt beginnen uitkijken naar de Roosenberg als een soort baken van rust. Nog geen twee minuten later komt Ivo de zaal binnen getrippeld. Hij ziet er fris en beheerst uit. Ivo is notoir efficiënt op de checkpoints. Ik daarentegen ben een kluns die zich verliest in details en onbenulligheden. Het zinkt meteen in dat rust hier niet gevonden zal worden. Haastig vul ik mijn camelbag bij, leg mijn horloge aan het infuus en verordonneer een portie eten. Jan en Ivo lijken de gratis maaltijd grotendeels aan zich voorbij te laten gaan waardoor ik mezelf forceer om de puree met weet-ik-veel-wat-erin aan ijltempo naar binnen te scheppen. Wat jammer eigenlijk. Ik wou dat ik iemand was die onbewogen z'n eigen ding kon blijven doen maar ik moet toegeven dat ik me opgejaagd voel. Ik wil die twee gasten niet te ver laten uitlopen, daar zijn ze te sterk voor. Terwijl ik sta te prullen met de oortjes van mijn GSM zie ik dat Jan en Ivo in duo de zaal verlaten. Jezus Christus, hoe kunnen die zo snel zijn? Naar mijn gevoel heb ik nog nooit zo efficiënt een checkpoint afgewerkt, op minder dan twintig minuten sta ik alweer buiten en toch krijg ik hier zomaar enkele minuten achterstand aangesmeerd. 

***

Op de agressieve tonen van Northlane zet ik met drieste passen de achtervolging in. Ivo en Jan zijn nergens te bespeuren. Kort na het verlaten van de zaal loop ik Benny, Wesley en Irene in tegengestelde richting tegen het lijf. We groeten elkaar kort. Die doen dus ook nog mee!

Hoewel ik een snelheid van tegen de 14km/u aanhoud, duurt het ettelijke minuten vooraleer ik de aansluiting terugvind. Zijn de vogels gaan vliegen? Wat een wedstrijd, denk ik. Ergens vind ik het wel leuk zo. Het is best spannend en de competitie drijft mij tot het uiterste van mijn kunnen. Ook hiervoor doen we het toch?

Wat volgt is een ellenlang accordeonspel. Jan houdt een strak tempo aan dat flirt met de bovengrens van wat mijn lijf nog kan na ruim 80km modderploeteren. Ivo blijft er schijnbaar onbewogen onder. Op mijn pogingen om een gesprek aan te knopen antwoordt hij kort en wat minzaam.

"Ivo, je bent echt een metronoom." zeg ik vol bewondering en ontzag. Daarmee doel ik op zijn loepzuivere en gelijkmatige tempo. Hier kan ik een puntje aan zuigen.

"Neen," antwoordt hij minnetjes. "Een metronoom valt af en toe ook even stil."

Ik lach schaapachtig en weet niet goed wat ik hierop zeggen moet. Wat een gast! denk ik bij mezelf. 

Uiteindelijk lopen Jan en ik weg van Ivo maar de achterstand loopt nooit verder op dan een meter of twee, misschien driehonderd. Zelden verdwijnt hij langer dan enkele tellen uit het zicht. Als we wat vertragen komen we weer samen en zakt het tempo drastisch naar beneden waardoor Jan en ik weer de neiging krijgen om voorop te gaan lopen.

Ergens besef ik dat Ivo aan het controleren is. Hij is met onze kloten aan het rammelen. Na meerdere accordeonbewegingen spreken Jan en ik het uit: we zijn hem gewoon aan het hazen! 

We geven toe aan elkaar dat het ons een beetje begint te ergeren. We slagen er niet in om hem echt op achterstand te lopen maar als hij voorbij komt, lijkt hij te vertragen en ons zelfs bewust wat te laten terugkomen. 

We proberen ons eigen ding te doen maar als we eerlijk zijn moeten we toegeven dat we heel fel met Ivo bezig zijn. We beginnen bijna te hopen dat hij ons op een bepaald moment gewoon voorbij steekt. Er begint zich intussen een duidelijk patroon af te tekenen. Op de vlakke stukken -die we na ruim 100km nog steeds ruim onder de 5'/km aftikken- bouwen Jan en ik een zekere voorsprong in. Op de hellingen dwingt de vermoeidheid ons er intussen toe om te speedhiken en worden we telkens teruggenomen door een Ivo die vlotjes naar boven blijft dribbelen. 

"Gewoon ons eigen ding blijven doen." liegen we tegen elkaar.

Wat later verandert de teneur naar: "Hij is gewoon de sterkste." 

We voelen aan dat de winnaar al bekend is. Jan en ik gaan voor plaats twee en drie. We nemen ons voor om samen te finishen. 

***

Ondanks het haasje-over-op-het scherpst-van-de-snede is het eerste deel van de terugtocht ook erg leuk. Aan de lopende band passeren we lopers in de tegenovergestelde richting. Bekende en minder bekende gezichten passeren de revue. Ik herken Merijn die verbazingwekkend weinig achterstand heeft als je weet dat hij van plan is om er achteraf nog een derde lus aan te breien. Ik passeer Lander, met wie ik af en toe samen een loopje doe, maar herken hem te laat om connectie te maken. Verder krijg ik Frank, Ward en Harry in het vizier. Allemaal kerels met wie ik sporadisch op uitstap ga. Nog wat later loop ik An tegen het lijf met wie ik tijdens en na de Great Escape een fijne babbel had en wiens wegen ik vanochtend opnieuw kruiste aan de inschrijvingstafel. Aanmoedigingen worden uitgewisseld. Wat een fijne sfeer. Die mix tussen competitie, gemoedelijkheid en innerlijke uitdaging. 

I love it. 

***

Rond km 120 gebeurt er wat we al een tijd zagen aankomen. Ivo besluit dat het genoeg is geweest en trekt het laken naar zich toe. Schijnbaar moeiteloos neemt hij een gigantische voorsprong op een hellende strook. Jan en ik laten begaan. Het moet zo zijn. We hebben er vrede mee. Ivo is sterker en verdient het om te winnen. We blijven nog een tiental kilometer samen maar ik voel dat het schip aan het zinken is. Jan blijft zijn retestrakke ultratempo lopen en ik moet steeds dieper tasten om in zijn zog te blijven. Waar ik voordien nog geregeld het tempo bepaalde, ben ik nu op aanklampen aangewezen. De vermoeidheid slaat hevig toe. Mijn heup- en beenspieren beginnen pijnlijk te verstijven. Ook mijn darmen, die zich de hele wedstrijd lang verbazingwekkend koest hielden, laten nu van zich horen. Ik voel een soort van permanente kramp die ik niet gesust krijg. Ik duik de bosjes in maar de verwachte en zelf verhoopte diarreescheut blijft uit. Jan is zo galant om op mij te blijven wachten. Meer en meer krijg ik echter het gevoel dat ik hem aan het ophouden ben. Ik geef aan dat hij niet op mij moet wachten maar hij werpt tegen dat hij graag samen wil finishen. Naarmate de kilometers verder vorderen wordt het verschil in niveau steeds duidelijker. 

Op km 130 trek ik de stekker uit onze fijne, langdurige samenwerking. Hoe graag ik de tocht ook samen had afgewerkt, ik besef dat Jan de sterkere van ons twee is en wil hem niet ophouden. Ergens voel ik ook het verlangen om in stilte en eenzaamheid af te zien. Om ongeremd te kunnen klagen en jammeren. Ik overtuig Jan om zijn eigen ding te doen. Ik stel hem gerust dat het helemaal ok is als hij mij achterlaat. Van zodra dat uitgesproken is, wordt hij in no-time opgeslokt door de steeds donker wordende wouden. 

***

Het is donker geworden. Het duister slokt de wereld op en lijkt doorheen mijn poriën naar binnen te sijpelen. Engelstaligen hebben het vaak over de 'pain cave'. Volgens mij gaat het dan over de plek of toestand waarin ik me nu bevind. Om de tergend trage kilometers wat draaglijk te maken pomp ik wat muziek mijn oren in. 

Ik heb weer nood aan de snoeiharde tonen van Northlane.

'Crawling through the burning sand
Just a man whose lost in time
Distant memories of a life'

Jawel, kruipen is wat ik nu doe. Ik ben nog slechts een schaduw van de Tim die de eerste 130km volbracht. Het tempo is in elkaar gestuikt. Als ik op een oneffen stuk even door mijn enkels ga, schiet er een ondraaglijk felle pijnscheut door mijn heupen. 

'I have felt the burden of pain
For the last time
So you want the fucking truth?
So you want the fucking truth?
The truth is we all suffer
We all suffer in life
We all suffer in time'

Ik zie af als een rund. Het strakke looptempo is getransformeerd naar een ergerlijk getaffel. Elk excuus om te stoppen grijp ik aan om dat ook te doen. Wandelen doe ik steeds vaker en gedurende steeds langere stukken. 

'The truth is - we all suffer!'

Is dat zo? Een Ivo, ziet die eigenlijk wel af?

'This is the truth

In the back of my mind
It's been hiding away
For me to find
Dancing in the fire
We burn together

This pain will never end'

Mijn darmen kronkelen en krimpen. Mijn energieniveau heeft zich verstopt onder mijn kapotgelopen voetzolen. Ik voel me ijl en vermoeid. Omdat ik verwacht dat de achterliggers me elk moment gaan overrompelen, check ik de trackingwebsite op mijn gsm. Het enige gevaar lijkt van Irene te komen die op slechts enkele kilometers afstand nadert. Tussen Irene en het duo Benny-Wesley ligt een gapende kloof. Ik ontwikkel een obsessie met de trackingwebsite en check om de haverklap mijn positie. 

O jawel, Irene komt steeds dichterbij. Het zal toch niet?

Ik verlies veel tijd met het compulsief bekijken van de website, maar anderzijds: als het dat niet was geweest, dan had ik wel een ander excuus gevonden om te treuzelen.

En op een bepaalde manier put ik toch nog kracht uit het feit dat ik mijn derde positie moet verdedigen. Ik ben dan toch niet helemaal wilsdood. 

Hoewel de Great Escape qua beleving niet meer verschillend had kunnen zijn dan de Bello Gallico, merk ik nu toch een parallel op. Tijdens de GE had ik ondanks dat dit in tijd een veel langere afstand was op veel zwaarder terrein, ook een soort van omslagpunt beleefd rond de 130km. Ook daar had er dik dertig kilometer voor het einde een soort van transitie plaatsgevonden tussen een heerlijke flow en een gevoel van eindeloos durende miserie. Ook daar was mijn mindset heel snel gekanteld van een soort ongenaakbaarheid naar een sensatie van nietigheid en nederigheid. Ook daar had ik na 130km te kampen met enorm storende en energievretende darmproblemen. En tot slot de pijnbeleving die rond dat punt een andere dimensie leek te krijgen. 

***

Ergens in die ellende passeer ik het CP in Bierbeek. We zijn zo'n twintig kilometer van het einde verwijderd. Ik stop mezelf vol met brownies en giet er een sloot cola achteraan. Twintig kilometer... In het licht van de totaalafstand lijkt het peanuts maar in de mentale en fysieke toestand waarin ik me bevind, is het een welhaast ondraaglijke gedachte. Bij het verlaten van het CP heb ik de grootste moeite om mijn getormenteerde lijf weer in gang te zwengelen. Wanneer dit dan toch lukt ken ik een kleine heropleving. Het tempo gaat even weer de hoogte in maar al snel beland ik weer in dat ritme van een pijnlijke ultrashuffle die zich afwisselt met een frusterend trage wandelpas. 

***

Mijn telefoon gaat. Het is mijn broer die me blijkbaar aan het volgen is op de tracking website. 

"Alles ok?" vraagt hij. "Het lijkt alsof je niet meer vooruitgaat de laatste kilometers."

Echt? No shit! Ik grinnik. 

"Ik ben door een hel aan het gaan, Wouter." zeg ik eerlijkheidshalve.

Hij moedigt mij aan en zegt: "Ik zal je maar laten, ik wil je niet uit je wedstrijd halen."

"Neen! Niet weggaan!" smeek ik bijna. "Het doet deugd om een stem te horen. Ik moet er bijna zijn. Blijf bij mij tot op het einde!" 

Als een uitgehongerde parasiet zuig ik me vol aan deze sprankel van menselijke warmte die onverwachts op mijn pad komt. Ik begin weer te lopen. 

"Godverdomme, aaarghl." schreeuw ik met rauwe stem. Ik wil er een einde aan maken. Het is genoeg geweest. 

Het kleurrijke lichtspel van de Roosenberg komt in het vizier. Een bocht naar links, gevolgd door een flauwe afzink. Ik weet dat de glibbergladde passage over de houten pontons nog komen zal. Ik ga het halen! Pijn en euforie mengen zich. 

"Wouter, ik ga het halen!"

Het donkere water met daarachter het onwezenlijke kleurenpallet van de Roosenberg. Het heeft haast iets psychedelisch. 

Ik verbreek de verbinding en probeer er in extremis nog een looppasje uit te persen. Met veel moeite neem ik de trapjes naar de feestzaal. Onder applaus zwalp ik de zaal binnen en hijs me letterlijk het podium op. Ik voel me wat onwezenlijk wanneer ik mijn medaille en portie Kerelbier in ontvangst neem.

***

Jan, die uiteindelijk een half uur voor mij aangekomen is, blijkt al richting thuishaven vertrokken te zijn. Ivo zit er ontspannen bij en twijfelt luidop of hij nog aan de derde lus beginnen zal. 

Wauw. 

Ik kan alleen maar ontzag hebben voor die man. Ik ben helemaal ok met mijn derde plaats en de tijd waarin ik de Bello Gallico volbracht heb. Heb ik verstandig ingedeeld? Wellicht niet. Ben ik apetrots op wat ik volbracht heb? Absoluut! Vind ik het sterk van mezelf dat ik ondanks de miserie van de laatste dertig kilometer nooit heb overwogen om de handdoek in de ring te gooien? Ook dat.

Terwijl ik een pint naar binnen lurk keuvel ik even met Ivo die een veel opener indruk nalaat dan tijdens de wedstrijd. Vervolgens sta ik op om me naar mijn auto te begeven. Ik ben de zaal nog niet uit of het lijkt alsof het gewicht van die hele 100 mijl als een betonblok op mijn schouders terecht komt. Een weëe misselijkheid overmant me en mijn hoofd vult zich met ijle mistflarden. Al mijn spieren krullen zich op in een gemene kramp. Ik duizel van de pijn. Een bezorgde vrijwilliger maant me aan om te gaan zitten. Aanvankelijk weiger ik nog slapjes maar voor ik het weet lig ik na een korte zitpassage gewikkeld in dikke dekens op de grond. De vrijwilligers voeden me met druivensuiker en cola. En met menselijke warmte. Hun bezorgdheid en betrokkenheid emotioneert me. Met gebroken stem spreek ik mijn appreciatie uit. Ik heb het allemaal niet meer bij elkaar. Nog net vind ik het verstand om te beseffen dat ik onmogelijk zelfstandig thuis zal geraken. Ik bel mijn vader op.

***

We zijn nu ruim een week verder en het herstel gaat niet over rozen. Ik probeer altijd eerlijk te zijn in mijn blogposts en maak er een soort van erezaak van om de waarheid niet te verbloemen. De eerste dagen waren afschuwelijk. Zondag was ik een compleet wrak. Ik was niet in staat om mijn linkerbeen ook maar een millimeter van de grond te heffen. Me door het huis verplaatsen deed ik eerst achteruit schuifelend, later improviseerde ik een soort van systeem waarbij ik een spanriem rond mijn voet wikkelde teneinde de functie van mijn linker heupbuiger wat op te vangen. Die had er klaarblijkelijk gewoon de brui aan gegeven. De pijn was zo intens dat de tranen me soms in de ogen stonden. Het duurde tot laat in de namiddag vooraleer ik de moed vond om mijn was te doen en mijn modderige kleding van de grond te rapen. Die lagen de hele dag te stinken op de plek waar ik ze de avond voordien had neergegooid. 

Maandag overwoog ik voor het eerst na een wedstrijd om mij ziek te melden maar met een hoge dosis paracetamol in mijn bloedbaan slaagde ik er alsnog in om me doorheen de werkdag te worstelen. Het duurde al bij al ruim drie dagen vooraleer het dagelijkse leven weer een beetje draaglijk werd. Vrijdag was de musculaire pijn grotendeels weggewerkt maar de pijn in mijn linkerheup nam maar heel traag af in intensiteit. 

Het begon er steeds meer op te lijken dat ik een blessure aan mijn heupbuigers heb opgelopen. 

Ik heb me verbaasd over het moeizame herstel na de Bello Gallico. Na de Great Escape die 7 km langer was, maar liefst 4000 hoogtemeters meer telde en bovenal ruim 5 uur langer duurde, veerde ik veel sneller weer terug. Energetisch was ik door de GE zwaarder aangetast -vooral ten gevolge van het grotere slaaptekort- maar op een musculair niveau was ik er veel sneller weer bovenop en was de pijn achteraf nooit zo intens. Twee dagen later kon ik alweer normaal stappen waar ik na de BG vier dagen lang als een kreupele door het leven ging. Een week na de GE werkte ik alweer een mooie trainingsweek af terwijl het er nu op lijkt dat de twee weken looprust die ik mezelf bij voorbaat had opgelegd nu eerder een bittere noodzaak zal zijn. Wie weet zal dit zelfs oplopen. 

Mijn linkerheup zal zelfs eerder revalidatie dan recuperatie vragen... 

***

Natuurlijk kan ik wel bedenken waarom de Great Escape zoveel milder voor mijn lijf was dan de Bello Gallico. Ik kan beide ervaringen nu eindeloos gaan analyseren of gewoon dolblij zijn met de twee unieke avonturen die ik op een tijdsbestek van drie maanden achter de kiezen heb. 




Reacties

Populaire posts van deze blog

Lof aan de Lofoten: deel 1 van ?

Lof aan de Lofoten (deel 3)