De Great Escape: ontsnapping aan de banvloek.
De nagel van mijn grote teen heeft de blauwige tint van een
vers lijk. Het ding is op sterven na dood. Mijn rood opgezwollen en
geïnfecteerde nagelrand ligt er als een soort van omwalling omheen.
Een nagelgraf.
Mijn ogen branden en jeuken van de vermoeienis en mijn heup
staat gespannen als een veer.
Het zou de eindballans kunnen zijn na een voettocht over 100
mijlen. Dat is het helaas niet. Het is de fysieke baseline waarmee ik
vrijdagavond voorgenoemd avontuur tegemoet ga.
De nagel is een onfraaie souvenir die ik heb overgehouden
aan ‘mijn laatste lange training in de Ardennen.’ Het uitje waarmee ik mentaal
en fysiek de puntjes op de ‘i’ wenste te zetten maar waar mijn grote teen in de
laatste kilometer verliefd werd op een uitstekende steen en besloot om die een
dikke smakkerd te geven.
Hoewel ik op best veel vlakken een neurotische persoonlijkheid
heb, kan ik ook erg nonchalant uit de hoek komen. ‘Gaat wel over.’ Dacht ik,
toen ik des avonds in de badkamer toekeek hoe mijn nagel z’n laatste adem
uitblies. Pas twee dagen voor de Great Escape begon ik me zorgen te maken. Erge
zorgen dan wel. Misschien is het toch een probleem als je 160 km moet lopen op
een ontstoken teen die bij elke stap een schreeuw vanuit het hiernamaals slaakt.
De vermoeidheid? Een afgeleide van de rotslechte nacht in de
overgang van donderdag op vrijdag. Die had dan weer z’n wortels in een
verhoogde nervositeit voorafgaand aan de wedstrijd. Over de faalangst –die
diepere laag achter deze verhoogde zenuwspanning- zou ik een apart Freudiaans
geïnspireerd epistel kunnen neerpennen. Ik ga het niet doen. Het zou ons te ver
van de essentie leiden.
De heup dan. Ook verhoogde spanning. Een kwaal die ik sedert
vele jaren met me meezeul. Eentje die zich toont in episodes. De heup/liespijn
kan soms voor langere periodes in winterslaap gaan, me toestaan de meest gekke
stoten uit te halen om dan weer plotsklaps toe te slaan. Enfin, het was de
reden dat ik twee jaar geleden tot opgeven gedwongen werd tijdens de Bello
Gallico. En dat 25 km van het einde! En nu laat ie zich weer voelen! Na weken
van radiostilte. Hij liet me m’n hele voorbereiding argeloos doorlopen, liet me
al mijn troepen verzamelen om vervolgens voor de eigenlijke veldslag de
terugtrekking te blazen. Snertheup! Klotelijf! Ja, ook deze Great Escape zou
weer niets worden.
Voila, en daar hebben we de reden voor mijn slapeloze nacht!
En een daaropvolgende rusteloze dag.
“Ik ga het niet doen, jong.” Zeg ik vrijdag tegen mijn enige
collega. “Te moe, te veel last, het wordt niks.”
Toch ligt al mijn uitrusting netjes klaar in de kofferbak.
Geprepareerd om er na het werk asap vandoor te muizen richting Maboge. Onderweg
heb ik de grootste moeite om doorheen mijn pikkende en priemende vensters de
aandacht bij het verkeer te houden.
“Ik moet terugdraaien.” Prevel ik tegen mezelf. “Ik ga er
geen kloten van terechtbrengen op deze manier.”
Toch rij ik door. De geest is een vreemd iets, ik bevind me
in een soort van superpositie van wel/niet deelnemen, er wel/niet in geloven,
wel willen/niet willen.
Toch dien ik me ’s avonds aan bij de inschrijvingstafel en
laat braafjes mijn COVID-safe pas scannen. Toch zet ik mijn tent op en zijg ik
rond een uur of 20 neer op mijn uitgerolde slaapzak.
***
Vijf uurtjes en zo’n drie uur van gebroken slaap later
snerpt de wekker mijn bewustzijn tot leven. Ik doe een vluchtige bodyscan en
merk op dat ik me best fris voel. Uitgerust bijna. En ik heb zin! Wat gek, denk
ik bij mezelf. Na twee van zo’n korte, gebroken nachten zou ik onder normale
omstandigheden overwegen om een ziektebriefje bij de dokter te halen, mezelf
niet bekwaam achtend om te werken. Nu sta ik op het punt om te beginnen aan een
tocht van 100 mijl. 160 kilometer en een klets.
Ik bereid warm water voor koffie op mijn kampeerstoofje,
pleur een klets van dat zwarte goud in mijn lijf en smeer een hoop sandwiches voor
onderweg op de bus. Die zal ons om 2:00 naar de start van 4:00 in Ettelbrück
(lux) voeren. Eigenlijk is de Great Escape een beetje een internationale
wedstrijd. Het wedstrijdparcours volgt de Escapardenne Trail, een soort van
lange-afstandsroute die van Ettelbrück in Luxemburg naar Maboge bij La
Roche-en-Ardenne kronkelt. Navigeren doen we op basis van de permanente
bewegwijzering en de GPS route die de organisatie ter beschikking stelt.
Aan de bus loop ik Ward en Karel, twee loopkennissen, tegen
het lijf. Tijdens de busrit alterneren we tussen gezellig keuvelen, stilzwijgen
en wegdommelen. Ward en Karel koesteren het plan om de Great Escape volledig te
hiken. Karel heeft een tijd terug een kuitblessure opgelopen en wil het zekere
voor het onzekere nemen.
Oef, die mannen gaan lang kunnen genieten van het parcours,
denk ik.
***
Na een korte briefing van de organisatie –die ik volledig
mis omdat ik druk bezig ben met wat overtollig gewicht kwijt te spelen op het
lokale stationstoilet- gaat het hele gebeuren eindelijk van start. Er daalt een
rust over me heen. De aanloop heeft godverdomme lang genoeg geduurd!
Vrijwel onmiddellijk kom ik terecht in de staart van de
kopgroep. Het gaat best hard, oordeel ik. Ik zou natuurlijk véél harder kunnen
maar wetende dat we nog 160 en wellicht zelfs meer kilometers af te haspelen
hebben, ligt het tempo best hoog. Op de hellingen wordt er lustig naar boven
gejogged en in de afdalingen gaat ons naar schatting achtkoppige treintje op
fluxe wijze naar beneden.
Ondanks het feit dat het steekdonker is.
Als men de Great Escape zou vergelijken met het ontluiken
van de menselijke evolutie, dan zitten we nu nog ergens in het tijdperk van de
eencelligen. We hebben met andere woorden nog een heel traject te doorlopen en
nog heel wat watertjes te doorzwemmen. Toch lijkt er al van alles te gebeuren.
Posities worden gewisseld, mensen schieten voorbij of haken al af. Ook wordt er
al even verkeerd gelopen en zien we ons genoodzaakt om twee prikkeldraden te
negotiëren ten einde weer op het officiële parcours te belanden. Kort na het
verkeerd lopen vorm ik samen met drie anderen een kwartet: Wesley, Stefaan en
een voor mij onbekende Brusselaar met paardenstaart.
We lopen aan de leiding.
We vinden een gezamenlijk tempootje en pikkelen al keuvelend
de vele hellingen weg. Het gaat over koetjes en kalfjes, Petzl Nao’s en Petzl
Nao plussen, eerder getemde beren en ongetemde demonen. Lopersklap.
Ongetwijfeld zouden onze conversaties meer de diepte in zijn gedoken, moesten we langer in elkaars
gezelschap hebben vertoefd. Wesley brengt mijn aandacht bij een voornemen dat
ik voorafgaand aan de GE krachtig had vooropgesteld maar nu al wat aan het
verwaarlozen ben.
“Het heeft geen zin om de hellingen op te lopen. Ik zag u
daarjuist lopen en ik was aan het powerhiken en ik was nauwelijks trager.”
Hij heeft gelijk, redeneer ik. Mijn voornemen: niets doen
dat ik op het einde niet meer kan.
Dat betekent: van in den beginne de hellingen op hiken, niet op knallen, ook niet naar boven joggen,
al zegt het gevoel iets heel anders. Het gevoel is een slechte gids. Het
gevoel is na 3 km immers geheel anders dan na 100 of 140 kilometer. Het gevoel
gaat ook hand in hand met het ‘ego’, dat het niet ziet zitten om te voet naar
boven te kruipen maar o zo graag wil tonen hoe sterk en gezwind dat lijf wel
die hellingen op kan schieten.
De ratio, die hebben we nodig.
Ik geraak volop aan de praat met Wesley en Stefaan. De
Brusselaar zweeft er wat omheen. Hij is of wat introverter van aard, of wat
onzeker over zijn beheersing van de Nederlandse taal. Of beide.
***
Na een slordige twintig kilometer kust onze onderbak ei zo
na het Luxembrugse gras. Niet door één of ander lomp strompelmanoevre. Neen,
van verbazing. Van ontzag voor het Luxemburgse natuurschoon dat zich ontvouwt
in het ontwakende zonlicht. Van het mistdeken dat daar speciaal voor ons lijkt
neergelegd te zijn, zo vredig in de valleien. Wesley neemt een foto met zijn
smartphone. Ik beperk me tot een mental
picture.
Mental pictures kan je achteraf nog mooier maken dan ze
eigenlijk zijn. Foto’s zijn maar foto’s.
“Hier doen we het voor.” Wordt er twee keer gezegd.
Zo lopen we ‘ooh-end en aah-end’ de eerste bevoorradingspost
binnen. We hebben er al een respectabele tocht opzitten. Een dikke twintig kilometers
met ruim 1000 hoogtemeters. Het had op zichzelf al een pittige trail kunnen
zijn!
We worden onthaald door twee flukse damens die het leven op
slag nog zonniger maken. We stouwen een sandwich naar binnen en zetten de tocht
al gauw weer verder. Zonder het te beseffen vormt het eerste checkpoint alreeds
een scharnierpunt in de wedstrijd. De Brusselse mec zet het op een lopen en besluit er alleen vandoor te gaan. Ik
kan het niet laten om op ‘m te jagen. Snel verdwijnt hij uit het vizier. Ik
besluit om er een oldschool jacht van
te maken. Géén moderne jacht waarbij het niet snel en gemakkelijk genoeg kan
gaan en men pakweg olifanten vanuit een helikopter naar het hiernamaals schiet.
Neen, een pure op uithoudingsvermogen gebaseerde jacht. Zo-een waar uitputting
de doorslag zal geven.
Welsey en Stefaan volgen met een kleine achterstand die vlug
weer wordt dichtgereden omdat ik mijn toevlucht moet zoeken tot de bosjes.
Vervolgens blijf ik nog even bij Stefaan tot ik hem finaal verlies
op een wat langere helling.
Omstreeks km 35 krijg ik de langharige Brusselaar opnieuw in
het vizier. ‘Nu al,’ denk ik. We draaien een klim op en belanden op een soort
van smalle rotsgraat die ik herken van op Facebook gepubliceerde foto’s van
eerdere edities. Fucking prachtig! De Brusselaar lijkt heel erg zijn best te
doen om mij voor te blijven. Met nijdige pasjes loopt hij de graat op. Ik
negeer mijn ego en blijf consistent powerhiken. Ik ga inderdaad nauwelijks
trager.
Bedankt, Wesley.
We lopen samen de bevoorrading op km 37 binnen. Ik graai wat
chips weg, steek een tiental nieuwe gels in mijn rugzakje en maak in ijltempo
een kom soep soldaat. Pikante soep. Jezus. Duivelsvocht gewoon. Lekker, dat
wél. Voor een winters brasseriebezoek, misschien iets minder tijdens een loopwedstrijd.
Het moet gezegd: Men had mij gewaarschuwd. Proestend en hoestend sta ik daar,
tranen in de ogen, totdat een jonge kerel mij een droge boterham in de hand
duwt.
“Dat helpt.” Adviseert hij me.
Ik verlaat het checkpoint en knibbel al joggend op de droge
boterham. Inderdaad. Het helpt. Het hoesten stopt en de tranen drogen op.
Ik loop nog enkele hectometers zij aan zij met de
Brusselaar.
(Auteursnoot: eigenlijk weet ik dat niet zéker. Dat we zij
aan zij het CP binnenliepen staat buiten kijf en dat ik tijdens een kort
gesprekje leerde dat hij vooral Franstalig is en in mindere mate
Nederlandstalig, dat weet ik ook nog alsof het gisteren was. Maar of ik nu
alleen, of samen met hem het CP verliet, dat ben ik vergeten.)
Hoe dan ook, kort na het CP op 37km kom ik moederziel alleen
aan de leiding te lopen. Ik heb daar geen zin in. Om meerdere redenen. Al snel
mis ik de gesprekjes met Stefaan en Wesley en worden deze vervangen door mindtalk. Doorgaans is dat een hoop
minder boeiend. Vaak cirkelredeneringen, repetitieve gedachten en cognitieve
mistflarden. Ook motivationeel ligt het moeilijker. Er zijn twee pistes: ofwel
zal ik nog een dikke 15 uur in het gezelschap van mezelf moeten vertoeven,
ofwel word ik alsnog bijgehaald en dat is niet tof.
Ik leg er mij bij neer en zet mijn tocht doorheen het
Luxemburgse landschapspallet verder. Het gaat doorheen diepe wouden en smalle
singeltracks. Langsheen steile valleiwanden en over schone cols. In mijn hoofd
is het één mishmash van Ardeens aandoende landschapselementen, flarden van
stukken weg, pad en bos. De chronologie is zoek, de tijd verdwaald. Er zijn
weinig ankerpunten, weinig kapstokken om mijn herinneringen aan omhoog te
hangen. Er is dat monotone, haast
bezwerende ritme van hiken, lopen, afdalen, hiken, lopen en weer afdalen.
Gedachten die alle kanten op zwieren en soms ook gewoon
stilvallen. Om het geluid van mijn mind enigszins
te overstemmen, pomp ik wat muziek in mijn oren.
***
Het 60-kilometerpunt is wél zo’n kapstok. Ik herinner me de
vriendelijke vrijwilligers, het feit dat ik de eerste wandelaars kruis en ook
dat ik met aandrang om alcoholgel vraag alvorens ik mijn gretige pollen in de
bak met borrelnootjes begraaf.
“Ik heb onderweg in het bos gekakt en had niets dan enkele
dunne blaadjes om mijn bilnaad te verschonen,” verklaar ik mijn door altruïsme
ingegeven vraag naar alcogel.
Ja, die vrijwilligers. Podverdekke. Laten we het gebrek aan
heldere herinneringen even aangrijpen om hen hier en nu in de bloemekes te
zetten. Stuk voor stuk zijn het warme, lieve en enthousiaste mensen die slaap
en weekend opofferen om klaar te staan voor een horde maniakken. In elk
checkpoint scheen de zon.
Respect!
Wie dat ook verdienen zijn de wandelaars die op vrijdag om
20u vetrokken voor een tocht die wellicht de 40 uur overschrijden zou. Gekkenwerk,
als je het mij vraagt.
***
Fast forward naar km 80. Het volgende checkpoint en meteen
ook het grootste en belangrijkste. Mijn benen voelen verbijsterend goed aan na
een tocht van 80 kilometer en vet 3000 verticale meters. Het energiepijl staat
nog hoog en de moraal zit waar ik hem hebben wil. Zo’n negen uren ben ik reeds
onderweg. Dat kan al tellen. Tegelijkertijd besef ik dat het maar goed is dat
alle parameters nog netjes in het groen staan. Ik begrijp immers dat de afstandshelft
niet per se hoeft samen te vallen met de tijdshelft en al zeker niet met de
zwaartehelft. De laatste 30km kunnen immers –omwille van de geaccumuleerde
uitputting- even zwaar aanvoelen als de eerste 130 en misschien even lang duren
als de eerste 60. Dat inzicht houdt me nederig. Toch merk ik een kleine
egoboost op bij mezelf wanneer ik leer dat ik zo’n 5km oftwel een dikke 40
minuten voorlig op de eerste achtervolger.
Ik besluit om rustig de tijd te nemen. Ik leg mijn
sporthorloge en GSM aan het infuus en werk ondertussen een heerlijk bord pasta
naar binnen. Ik giet er nog een halve liter cola achteraan en herschik mijn
rugzakje. Tevens vul ik mijn voorraad gel en snickers aan. Om het half uur probeer
ik immers een exemplaar weg te drukken. Dat lukt voorlopig aardig. Mijn maag
voelt ok, geen spoortje misselijkheid te bespeuren.
Om bij het CP te geraken, moeten we even van het officiële
parcours afwijken. De organisatie heeft een zijtak uitgezet die de lopers naar
en van het checkpoint brengt. Vlak voordat ik weer het parcours wil opdraaien
loop ik mijn achtervolgers tegen het lijf. Het zijn Teun Geurts, de Brusselaar
en een voor mij onbekende loper. We groeten elkaar en wisselen aanmoedigingen
uit. Leuk.
***
Tim de Vriendt
beloofde het mij al op het CP. De komende 40 kilometers zouden relatief
gemakkelijk zijn, dat laatste 40 erg moeilijk. Het parcours lijkt zijn belofte
waar te maken. Waar het voorheen over steile cols en nauwe singeltracks ging,
krijgen we nu open landschappen, brede schotterwegen en zelfs wat asfalt
voorgeschoteld. De hellingen zijn vergevingsgezind en laten een vrijwel
ononderbroken looppas toe. De zon heeft heel hard moeten werken om het
hardnekkige ochtendgrijs uit elkaar te knuppelen en wil zich tijdens de weinige
uren die haar nog resten absoluut laten gelden.
Het is warm. De zon blaakt.
Toch voel ik me heerlijk. Het is absurd. Eerst negentig
kilometer, dan honderd, dan honderdentien,… Ik voel me niet moe. Eerder
energiek. Ik kick erop dat ik na dik honderd kilometer nog steeds een tempo van
zo’n 12 à 14km/u kan aanhouden op de vlakkere stukken. Zo’n 8 à 10 km/u is dat
op de hellende stroken. Ik hou mezelf voor dat ik op het finale stuk langs de Ourthe
wellicht zal stilvallen, technische paden met boomwortels en rotsten vind ik
wel leuk maar zijn niet mijn ding, dus moet ik hier tempo maken. Nu het nog kan.
The Pixies blèren in mijn oren.
Where is my mind? Whe-ere is my mind?
Ik blère mee. Schaamteloos. Luidop.
Where the fuck is my mind, denk ik. Of zeg ik dat luidop?
Ik passeer nog twee checkpoints. Bij de ene maak ik een
eerder korte passage, bij de volgende neem ik opnieuw wat meer tijd. Wederom
reanimeer ik mijn sporthorloge terwijl ik een lekkere sandwich naar binnen
schuif. Mijn bezoek valt samen met dat van An Baert, de wandelares die op dat
moment aan de leiding ligt en uiteindelijk ook als eerste zal eindigen. We
maken een kort praatje alvorens zij als eerste weer vertrekt. Ik leer dat mijn
voorsprong zich intussen heeft uitgediept tot een dikke tien kilometer.
Mijn ego begint te zwellen. Ik besef het. De voorsprong. Het
tempo dat ik nog kan maken. Het goede gevoel. De pompende metalcore die ik
intussen beluister. Rustig, zeg ik tegen mezelf. Ik adem wat hoogmoed weg en
breng mezelf terug naar het moment. Niet beginnen zweven. Gewoon lopen. We
hebben nog een lange, lange weg te gaan. Niet denken aan wat komt of hoe het
moet zijn. Gewoon zijn.
***
Intussen zijn we weer in ons Belgenland aanbeland. Het land
van de Ourthe opent zich. Het gaat richting 130 km. De eerste tien kilometers
van de laatste veertig heel moeilijke kilometers zijn al afgetikt en de
weerbarstigheid van het landschap lijkt mee te vallen. Misschien zal het
allemaal zo erg niet zijn? Denk ik. Ik begin zelfs te dromen dat een aankomst
kort voor middernacht mogelijk moet zijn. Ik passeer langsheen Houffalize en
merk op dat daar een trail wordt georganiseerd door sportevents. Een trail van
16km. Ik zie lopers uit hun auto stappen en over straat lopen met een pas
afgehaald rugnummer. Ik moet glimlachen. Hoe bijzonder dat ik daar nu
tussenloop. Zouden zij beseffen dat ik en vele anderen het tienvoudige aan het doen
zijn van wat zij gaan doen? Ik voel me de vreemde eend in de bijt. Een paria.
I love it.
Glimlachend loop ik de avondschemering in. Beneden kabelt de
Ourthe. De steile valleiflanken lijken wel donkerbehaarde ruggen, rustend onder
de diepblauwe onverschilligheid van de kille avondlucht.
Ik leef.
Anderzijds: afdalen begon al een hele tijd geleden pijn te
doen maar de scherpe afzinken langsheen de Ourthe beginnen stilaan moordend te
worden.
***
De Ourthe neemt wraak en haar wraak is zoet. Het is compleet
donker nu. Afdalen was al een tijdje geleden een pijnlijke opgave maar de scherpe
afzinken langsheen de Ourthe beginnen nu stilaan moordend te worden. Ironisch
genoeg gaan de afdalingen voor geen meter meer vooruit. Ik maak een sissend
geluid tussen mijn tanden om de pijn te bezweren. Sissen wordt kreunen en
kreunen wordt kermen.
Aargh. Mijn quadricepsen, voetpezen en kuiten zijn volledig
gaar.
Gelukkig is daar op km 130 en een klets een checkpoint in de
vorm van een tent met kerstverlichting. Schitterend! Ook de ontvangst is
fenomenaal. Het heeft allemaal iets magisch. Ik voel me bizar, wat high. Met
smaak werk ik een wrap met kaas weg en ik zever wat met het koppel dat de
checkpoint verzorgt. Hun dochtertje leest onderuitgezakt in een kampeerstoel een
boek. De vader vraagt haar om plaats te maken voor mij maar ik weiger. Ik wil het
mezelf niet te gemakkelijk maken. Het mag hier niet té leuk worden. Ik neem
thans voldoening met een houten zitbank. Al etend leer ik dat mijn voorsprong
stabiel is gebleven: zo’n tien kilometer ongeveer.
Ik had graag wat langer willen blijven plakken maar ik neem
toch afscheid. Kort na het aanzetten, overkomt me iets dat ik nog nooit heb
ervaren. Plotsklaps krijg ik het ijs- maar dan ook ijskoud. Een golf van
koortsachtige rillingen overmant mijn lijf. Mijn spieren verstijven.
What the fuck is dit? Ik voel een lichte paniek opkomen. Een
eenzaam en depressief gevoel maakt zich van me meester. Bovendien ben ik
blijkbaar wat te ver gelopen en moet ik weer naar boven. De onvoorziene helling warmt me enigszins terug op maar niet
afdoende. Ik probeer een ademhalingstechniek uit: heel snel en heftig in- en
uit ademen. Doelbewust hyperventileren. Dat lijkt te werken. Ik induceer de
aanmaak van adrenaline en dat warmt mijn lijf weer wat op. Shit zeg, ik ben
gewoon uitgeput. Leeg. En toch blijf ik gaan.
Wat later schieten mijn darmen in een knoop. Tot drie maal
toe ontlast ik mij van een branderige straal diarree. Gewoon langs de kant van
het pad, de schaamte voorbij. Ik doe niet eens de moeite om wat verder het bos
in te kruipen. Vervolgens lijkt de boel weer wat te kalmeren. De 100 mijl
begint duidelijk zijn tol te eisen.
***
Tussen dit en het volgende checkpoint zou maar tien
kilometer zitten. Iemand die nog geen 130 kilometer gelopen heeft op 3 uur
slaap en onwetend is over de staat van de paden langsheen de Ourthe, zou kunnen
zeggen dat dat een meevaller is.
In mijn realiteit is het een gigantische tegenvaller. Het is
steekdonker en ik ben hondsmoe. De boomwortels liggen als dikke grijpgrage
armen te kronkelen over het smalle pad. Zijn er geen boomwortels? Dan zijn het
wel rotsen. Heuse rotspartijen. Om de zoveel tijd dient zich een fameuze muur
aan. Loodrecht de flanken van die rotvallei op. En weer af. De afdalingen zijn
een hel van pijn. Er is geen strook van 100 meter meer waarop ik nog aan
dribbelen, laat staan lopen toekom. Waar mijn gemiddelde snelheid de hele tocht
lang tussen de 8 en de 9 km/u schommelde, keldert dit nu naar 7,8 en lager. Het
tempo kakt volledig in elkaar en voor het eerst schiet ik volledig uit het
moment. Genieten is er niet meer bij. Ik zie af als een rund en wil dat het
voorbij is. Mijn GPS geeft 140 km aan en er is geen bevoorrading te bespeuren.
Bij elke lichtje in de verte, bij elk vakantiehuisje maakt mijn hart een
sprongetje en denk ik dat ik er ben. Noppes. Op een bepaald moment passeren we
de bebouwde kom. Ja, hier moet het zijn. Weer nada. We duiken de bos weer in.
We omzwerven een meertje of barrage (ik zie het verschil niet in het donker) en
zie lichtjes en bedrijvigheid aan de overkant. Hier, ja hier moet het zijn! Dat
kan niet anders. Wederom leidt de GPS me weg van het feestgebeuren. Een moment
geraak ik ervan overtuigd dat ik de verkeerde route aan het volgen ben. Of
zelfs voorbij ben gelopen aan de bevoorrading. Zou ik dat meer proberen
oversteken? Nee, ik vind het een beter idee om de organisatie te bellen en te
vragen of ik nog wel juist zit. Voicemail.
Er rest niets anders dan de situatie te accepteren en mijn
pad te vervolgen aan dat tergend trage tempo.
Uiteindelijk bevindt het checkpoint zich volgens mijn GPS op
145km en had ik zo’n dikke twee uur nodig om de laatste tien kilometer weg te
werken.
Ook hier tank ik mijn sporthorloge bij, kloek ik een sloot
cola naar binnen en maak ik een heerlijke croque monsieur soldaat. Mijn dropbag
laat ik voor wat die is. Mijn zak puilt nog uit van de gels en de snickers. De
laatste kilometers heb ik niet meer echt aan eten gedacht.
***
Weer gebeurt het. Bij het verlaten van de post word ik overweldigd door een tsunami van koude rillingen. Net hoogkoorts. Bibberend en daverend daal ik af. Koud, koud, koud! Ik hanteer opnieuw mijn ademhalingstechniek en wederom werkt het.
De kilometers die volgen zijn uit mijn geheugen gevaagd. Er
is pijn, best veel pijn. En er is een vreemde mix van emoties: trots, fierheid
dat ik al zo ver gekomen ben en wellicht de Great Escape winnen zal. Maar ook
een vreemd soort van verdriet dat ik niet kan plaatsen. Ik steek het op de
uitputting. En een kinderachtige boosheid omdat het maar niet vorderen wil. De
minste hellingsgraad naar boven of beneden dwingt me nu te wandelen. Ik kan
niet meer. Op de koop toe begint het te regenen.
Kak.
***
Stel je voor dat je niet zou weten dat je na het bereiken
van de aankomst nog een lusje van dik vijf kilometer te goed hebt! Op en over
de Mur de Maboge, wellicht de steilste en langste helling die in de directe
omgeving te vinden is. Berucht onder traillopers, mountainbikers en
wegfietsers.
Stel je voor?
Je zou instorten. Huilen. Om genade smeken. De organisatie
misschien gaan haten.
Gelukkig wist ik het op voorhand en ben ik mentaal
voorbereid. Het is erg rustig aan de aankomst. Ik besluit even te gaan zitten
om mijn gillende en krijsende beenspieren te kalmeren en wat cola en chips tot
mij te nemen. Ik neem mezelf ook voor om snel weer te vertrekken en er een eind
aan te maken. Ik heb alreeds 160km op de teller, dat wil zeggen dat we op een
dikke 165 gaan stranden.
***
Wanneer ik vertrek op de aankomst-slash-laatste-checkpoint
weet ik er nog ternauwernood een dribbelpas uit te persen. Enkele hectometers
later dient de muur zich al aan. De Maboge is een kloteding. Als je niet
uitkijkt loop je er gewoon recht met je smikkel tegenaan. De lichtbundel van
mijn hoofdlamp lijkt gewoon recht terug in mijn gezicht te kaatsen. Zo steil is
hij. Op de één of andere manier slagen mijn 100 mijlsbenen er toch in om mijn
moegetergde lijf naar boven te hijsen. Het gaat traag nu. Traag als een in zout
gemarineerde slak. Ook de tijd wordt slijmerig en stroperig. Alles duurt een
eeuwigheid en tegelijkertijd gaat alles erg vluchtig. Ik treuzel. Het kan me
geen fuck meer schelen hoe lang het in beslag neemt om die godverdomde puist
van Maboge uit te knijpen. Of het mij gaat lukken? Daar twijfel ik niet meer
aan! Ik ben nu al zover gekomen dat alles mogelijk lijkt. Het lichaam is iets
wonderbaarlijks. Het lijf lijkt maar door te kunnen blijven gaan, na een zekere
tijd in spaarstand weliswaar. Maar doorgaan blijft mogelijk. De ene voet voor
de andere. Zucht na zucht.
Na de klim presenteert zich een vlak stuk. Ik wissel joggen
af met wandelen. Mentaal gaat het als een slinger heen en weer. Ben ik aan het
joggen dan denk ik: fuck it! Ik ben het zooooo beu om te lopen, alles doet
pijn. Ga ik weer aan het wandelen dan redeneer ik: zo duurt het eeuwig! Zo komt
er nooit een eind aan. Komaan lopen!
Tot slot dient zich nog een godzijdank geleidelijke afdaling
aan. Het pad heeft zich verenigd met één of ander riviertje. Zelfs geleidelijkheid
is er nu teveel aan. Lusteloos strompel ik door het ijskoude water. Ooit moet
het toch stoppen?
Jawel, ooit doet het dat. Plots herken ik de asfaltweg aan
de voet van de kutmuur van Maboge. De laatste tien kilometer leek het alsof ik
in een toestand van egodood terecht was gekomen. Blijkbaar is dat een
benijdenswaardige toestand. Sommige mensen proberen dat punt te bereiken met
behulp van psychoactieve stoffen of extreme meditatie. Het lopen van een 100
mijlwedstrijd blijkt ook te werken. Of toch niet? Neenee, mijn ego leeft nog!
Spartelend en sputterend maar niettemin levend.
“Ik moet en ik zal lopend over de streep komen.”
Dus zwier ik de hele door en door roestige machinerie nog
een laatste keer in gang en dribbel ik –eindelijk, nu voor echt- de
aankomstzone binnen.
***
Ik ben te moe om blij te zijn. Ik weet dat ik door het dolle
heen moet zijn met het feit dat het me eindelijk –na meerdere mislukte
pogingen- gelukt is om het einde van een 100 mijlwedstrijd te halen. En dat
meteen met een overwinning en het neerzetten van nieuw parcoursrecord. Ik voel
me echter nogal vlakjes, nogal weinig enthousiast. Blijkbaar hebben emoties ook
energie nodig om er te kunnen zijn. Waarschijnlijk heb ik heel mijn serotonine
en dopaminevoorraad gewoon opgesoepeerd. Zijn mijn bijnieren volledig
leeggezogen en heb ik het testosteronniveau van een hoogbejaarde.
***
Na een halfkoude douche op de camping, een spaghetti en een
Kerelbiertje sleur ik mijn lijf naar mijn tent. Om half vier in de ochtend gaan
mijn ogen toe. Drie luttele uurtjes later word ik alweer wakker. Jammer. De
derde nacht op rij met maar drie uur slaap en daar dan nog eens een tocht van
100 mijl tussen geflanst. Men kan wel bedenken dat ik me bij het ontwaken niet
opperbest voel. Probeer het je als volgt voor te stellen: neem de drie ergste 1
januari’s uit je leven, tel deze vervolgens op en neem het kwadraat van deze
som. Hoe ik erin geslaagd ben om terug naar huis te rijden? Geen idee. Hoe het
lukt om al mijn spullen nog op te ruimen? Wie zal het zeggen? Maandag, na een
comateuze nacht van zo’n elf uren, dringt het allemaal tot mij door en komt er
ruimte vrij voor alle emoties die een mens voelen moet na het verwezenlijken
van zo’n episch avontuur.
En de muur van Maboge?
Die heeft zich nog enkele dagen verstopt in de trap naar
mijn slaapkamer.
Proficiat Tim!
BeantwoordenVerwijderenProficiat Tim!
BeantwoordenVerwijderenSuper! Een super prestatie topper. En weer super mooi geschreven. 👌🏼
BeantwoordenVerwijderenMooi om te lezen Tim. Ik bewaar ook nog zoete herinneringen aan die eerste 30km. Wat voor mij daarna kwam was minder fraai en ontgoochelend... Maar het maakt jouw prestatie des te indrukwekkender.
BeantwoordenVerwijderen