Plateau

 

Barometer

Het zweet spoot langs mijn poriën naar buiten. Onder mijn trailrugzakje was het alreeds een kleffe en glibberige boel. Mijn ademhaling leidde een eigen leven. De benen volgden lethargisch de commando's van bovenaf op. 

Ik had slechts enkele hectometers op de teller staan en alle wijzertjes stonden al in het rood. De hartslag te hoog (mijn hartslagmeting stond uit maar zoiets wéét je gewoon), de ademhaling te onregelmatig en het energiepijl te laag. 

Ook de goestingsbarometer  gaf zorgwekkende waarden door. Een schromelijk tekort aan loopanimo, zeker met het op de nog af te leggen afstand: liefst 98km. 

Als je aan een trail van 100km begint, dan mag je van jezelf verwachten dat je na 1km nog bol staat van het verlangen. De energie zou er nog van moeten afspatten. Eigenlijk zou de grootste uitdaging moeten zijn: jezelf -de totaalafstand indachtig- tot een voldoende laag tempo dwingen. Het enthousiasme als het ware temperen. 

Toegegeven; de eerste kilometer van de Ultra01 was niet meteen de gemakkelijkste. Vrijwel meteen sneed het parcours in loodrechte lijn een lokale skihelling aan. Zonde boe of ba werd er een kwak hoogtemeters onder de benen doorgeschoven. 

En nog een confessie: wellicht was het niet zo'n goed idee om me meteen in het zog van de vier Franse koplopers te willen plaatsen. Ergens, in drie vierde van de klim, drong dat besef tot me door en liet ik het tempo zakken tot een meer realistisch elan. 

Toch kon deze kortstondige vergaloppering mijn sjofele gevoel (helaas) niet verklaren. Tijdens wedstrijden van kortere afstand zou het tempo nog hoger gelegen hebben, zonder dat het voelt alsof alle wijzertjes in het rood springen.

Toen al besefte ik: 'Dit wordt 'em niet vandaag.'

De gedachte is de moeder van de uitkomst. 

Ultra01

01

Zéro un. 

Een naam waar weinig begeestering achter schuilgaat. De 01 staat simpelweg voor de nummer van het departement waarin de ultra georganiseerd werd, met name het departement Ain. Pal in het Juragebergte. 

Voor mij had die 'zéro un' echter nog een bijkomende, meer symbolische betekenis. Voor mij was het ook daadwerkelijk Ultra 01 sinds het uitbreken van de pandemie. De eerste georganiseerde ultra wel te verstaan. 

Hoe ik bij dit niet erg bekende en weinig luisterrijke evenement ben uitgekomen? 

Mijn hoofddoel van het jaar -de Grossglockner Ultra Trail die eind juli zou plaatsgevonden hebben- belandde -zoals zovele andere evenementen- op de offertafel. Toen er in augustus stilaan terug sprake begon te zijn van georganiseerde trailruns, bleken deze of samen te vallen met mijn geplande reis naar Oostenrijk (die godzijdank kon doorgaan!) of reeds lang volzet te zijn. 

De Ultra01 bleek voor mij de enige mogelijkheid te zijn om in de zomer nog een ultra te lopen. Ik was nog nooit in het Juragebergte geweest en had geen idee van welke landschappen er achter deze naam schuilgingen. Ook de organisatie en het parcours kende ik van haar nog pluim. Ik zou het allemaal wat op mij af laten komen. Eigenlijk kon dit mij ook geen hol schelen. Het feit dat ik na zes lange maanden opnieuw aan de start van een ultratrail zou verschijnen, gaf mij vleugels. 

Dat ik mij bij gebrek aan legaal verlof genoodzaakt zag om een dag onbetaald verlet te nemen en aankeek tegen tweemaal een rit van een slordige 700km, nam ik er met graagte bij. 

Slechte omina

Ik lag op bed. Mijn maag was druk bezig met het bestrijden van mijn zonet verorberde, half-rauwe pastamaaltijd. Aangezien mijn groezelige hotelkamertje noch behept was met een kookinstallatie, noch met een waterkoker (waar ik wel op gerekend had) deed ik aan slowcooking. De pasta voldoende lang laten weken in warm water uit de badkamerkraan. Dat lukte. Wat koude tomatensaus uit de bokaal erbij, een kwak linzen uit blik erover en voilà: mijn pre-ultra maal. 

Het lage culinaire gehalte van mijn galgenmaal liet me even koud als de maaltijd zelf. Meer zorgen maakte ik mij over de gesteldheid van mijn benen. Om net een taper van twee weken achter de rug te hebben, voelden deze ontstellend on-vinning aan. De binnenkanten van beide voetzolen waren beurs, zelfs wat pijnlijk. Vooral mijn rechterenkel leek mij iets te willen duidelijk maken. En dan waren er nog mijn knieën, die stroef en stijf aanvoelden, telkens wanneer ik wat te diep door mijn beengewrichten ging. Eigenlijk gedroeg mijn hele lijf zich weerbarstig. Vermoeid. Lethargisch bijna. Nog verbazingwekkender was dat ik mezelf op weinig bevlogenheid betrapte wanneer ik bedacht dat ik daags nadien mijn eerste ultra in vele maanden tijd zou lopen. 

Ergens diep in mezelf borrelde een verontrustende, zelfs onmogelijke gedachte op:

"Ik ben er niet klaar voor. Ik ben onvoldoende gerecupereerd. Morgen 100km lopen zal niet lukken."

Even snel als deze gedachte zich ontpopt had, werd ze weer verdrongen door het zelfverdedigingsmechanisme dat men ontkenning noemt. Een legioen rationaliserende en minimaliserende gedachten werd de strijd in geroepen. 

Het zal wel aan de lange autorit liggen. Acht uur achter het stuur zitten, dat kan een mens onmogelijk deugd doen.

Waarschijnlijk verbeeld ik het me maar: heb ik dat niet altijd dat ik me de avond voor een wedstrijd onnodig zorgen maak over van alles en nog wat?

Als ik de rest van de avond mijn benen omhoog leg, dan zal ik me morgen na een deugddoende nachtrust terug prima voelen. 

Kan het mijn brein kwalijk genomen worden? Dat het het ego op een dwaalspoor zet? Na maanden geen wedstrijden meer gelopen te hebben, na maanden het uitoefenen van mijn passie te hebben moeten ontberen, na honderden euro's onkosten en een autorit van liefst acht uur, dan is de simpele gedachte dat de onderneming eigenlijk geen goed idee is zo goed als taboe. 

Wat een paradox: als ik fit ben en me eigenlijk nergens zorgen over zou moeten maken dan pieker ik mezelf doorgaans te pletter. Toen ik eigenlijk echt wel gegronde redenen tot bezorgdheid had, voelde ik me verbazingwekkend kalm. Onverschillig welhaast.

Kak

Na het ronden van het hoogste punt gunde ik het mezelf om weer wat op adem te komen. De koplopers verdwenen in ijltempo uit het zicht en al gauw werd ik gegrepen door enkele achterliggende concurrenten. Dat op zich vond ik niet erg. Ik wist dat ik de eerste kilometer of twee aan een te hoog tempo had gelopen en dat het nu wat zoeken zou zijn naar de plaats waar ik echt recht op had. Ik was me er ook van bewust dat er nog vele kilometers restten en dat alles in principe nog mogelijk was.

Wel deed ik een andere verontrustende vaststelling, de tweede van de dag: mijn rechterenkel deed godverdomme pijn. Zowel langs de binnenkant, als langs de buitenkant.

Ook dat kon eerlijkheidshalve bezwaarlijk een verrassing genoemd worden. Ik werd al meerdere weken geplaagd door een milde maar storende combinatie van pijn en stijfheid langs de buitenkant van mijn enkel. De intensiteit van de pijn was wisselend van aard maar globaal bekeken was deze langzaam maar zeker erger geworden.

Weer zo'n klassieke denkfout: na mijn taper zal de pijn wel verdwenen zijn. Als sneeuw voor de zon.

Niet dus.

Kak.

Wederom zette mijn geslepen brein daar een sussende gedachte tegenover: het zal wel lukken, je loopt er nu al zo lang mee rond. Eerst deze wedstrijd nog, nadien zal een periode van welverdiende rust wel voor het nodige herstel zorgen. 

Pijn dus, lastig, irritant, maar niet ondraaglijk. 

Na de bestorming van de skihelling kreeg het hoogteprofiel een soort van wasbordpatroon. Korte, nijdige hellingen volgden elkaar in hoog tempo op, afgewisseld met zachtere stroken over brede schotterwegen. De wereld rondom mij bestond uit een pallet van groenschakeringen. Wanneer je de ondergrond -die uit een soort van gebroken wit gesteente bestond- negeerde, zou je je perfect in de Ardennen hebben kunnen wanen. 

Ik vond aansluiting bij een andere loper die me kort na de skihelling had geremonteerd. In tandemformatie tikten we enige kilometers weg en onderweg wisselden we wat woorden. Onze symbiose was echter niet zo'n heel lang leven beschoren. Op één van de vele wasbordhellinkjes maakte ik mij weer van hem los. 

(Alsof ik mezelf ervan wilde overtuigen dat ik toch een goede dag had.)

Allez les Belges!

"Allez les Belges!"

Een achterligger kwam in een korte afdaling gezwind voorbijgesneld. Zijn strijdlustige kreet liet geen ruimte voor twijfel. Een andere Belg. Ik betrapte mezelf erop instant een gevoel van verbinding te ervaren. 

Ik ben niet de enige die ter gelegenheid van deze ultra uit het verre Belgenland is komen aandraven. Ik ben niet de enige die het de moeite waard acht om voor een dag zelfkastijding liters en liters brandstof de atmosfeer in te jagen en zich gewillig laat kaalplukken op de met péage belaste Franse wegen. Ik voelde een boost van energie en zette de achtervolging in. Mijn enkel protesteerde. Niet heftig. Toch stelde ik vast dat de pijn reeds de morfologie van mijn looppas begon aan te tasten. Tien kilometer op de teller. 

De andere Belg bleek een Waal uit de omgeving van Luik te zijn. We vormden een duo tot aan de eerste bevoorrading op km 18 à 20. De ander bleek best een sociale kerel te zijn met wie ik gemakkelijk enkele kilometers wist weg te palaveren. Mijn harige Frans vormde daarbij de voornaamste limiterende factor. Het samenlopen en de conversatie leidden mij tijdelijk af van de steeds scherper én doffer wordende pijn in mijn enkel. Ook het slechte gevoel in lijf en leden verdween wat naar de achtergrond nu mijn brein iets voorgeschoteld had gekregen om zich op te richten: het voeren van een gesprek, het trachten volgen van de ander. 

De ander die een vlot tempo onderhield dat ik onder optimale omstandigheden wellicht nog vele kilometers -zo niet helemaal tot aan de eindmeet- had kunnen volhouden maar nu rijkelijk te hoog gegrepen zou blijken te zijn. 

De bevoorrading. Ik blies mijn camelbag weer vol water, zette mijn keelgat open en gutste wat cola naar binnen. Na wat aanvoelde als een bijzonder korte pauze, zette ik weer aan. De andere Belg was er al vandoor gegaan. Ik zou hem nooit meer van dichtbij te zien krijgen. Wat volgde was de eerste wat langere klim van de dag die gevolgd zou worden door een lange afdaling waarna rond km50 de koninginnenetappe zou aangesneden worden: een klim van zo'n 1000D+. 

Ballon

Bergop speelde ik haasje over met een andere loper die me ter hoogte van de bevoorrading had weten bijbenen. Tijdens de klim begon het me echt te dagen dat ik mijn belangrijkste troefkaarten had thuisgelaten. Normaliter voel ik me op van die lange, niet al te steile en technische klimpartijen als een vis in het water. 

Terwijl ik mezelf moeizaam naar boven werkte op de beklimming die steeds meer begon aan te voelen als een tocht over de Golgotha, moest ik denken aan iets wat in één van mijn vorige blogposts heb neergepend. 

'Als de benen sneller gaan dan mijn ademhaling, dan weet ik dat ik een goede dag tegemoet ga.'

Of iets in die aard.

Nu was exact het omgekeerde waar. Ademhaling in galop, benen in slowmotion. 

Ook op een vlak asfaltinterval vond ik het goede ritme niet. Alsof mijn interne metronoom op hol geslagen was. 

Haasje over met de ander. 

Haasje.

Over.

Ergens aan de voet van de klim, was ook mijn lies beginnen knagen. Dan mijn heup. Naarmate ik aan hoogte won, werd het knagende gevoel steeds erger. Instant werd ik acht maanden teruggeworpen in de tijd. 

Kilometer 40 van de Bello Gallico. Exact hetzelfde knagende gevoel in mijn lies. Toen maakte ik de flagrante denkfout dat 120 km lang de strijd aangaan met de pijn een deugdelijk en realistisch iets zou zijn. Dat was het niet. Na 135 km hield mijn lijf het toen volledig voor bekeken. Een zeer pijnlijke, noodgedwongen DNF en weken blessureleed vormden toen de eindbalans. 

Haasje.

Over.

And out!

De gedachte aan opgeven borrelde voor het eerst in 30 kilometer in me op. Hectometers verder stond ik langs de kant. Ik ervoer een soort van paradoxale, haast perverse opluchting. De pijn in mijn heup verschafte me een valabel excuus om de handdoek in de ring te gooien. Het was klaar als een klontje nu. Geen ruimte meer voor twijfel. De ballon was al een tijdje lek, nu pufte hij zijn laatste adem uit en verwerd tot een slap verschrompeld stukje rubber.

De rationele gedachte: slim besluit, Tim. Een lijf dat er merkbaar geen zin in heeft, een enkel die klaarduidelijk geblesseerd is en een oud, venijnig heupletsel dat weer opspeelt. Je hoeft geen genie te zijn om te kunnen becijferen dat dit tot een treurige uitkomst zou leiden. Dan heb ik liever dat mijn DNF een bewuste keuze is dan dat ik er -zoals tijdens de BG- toe gedwongen zou worde,u in een late fase van de wedstrijd. De teleurstelling zou dan nog groter zijn want de finishlijn zou thans dichterbij zijn en de geïnvesteerde hoeveelheid energie veel groter. 

De emotie: teleurstelling. Een soort van kankergezwel dat groeide met elke stap richting volgende bevoorrading. Het punt waarop ik officieel zou kunnen uitstappen. Ik wandelde het resterende stuk van de beklimming en de gehele afzink die over steeds mooier wordende paden liep. Het landschap opende zich voor het eerst. Ik keek uit over een brede vallei die geflankeerd werd door de brede, rotsachtige plateaubergen die blijkbaar typerend zijn voor de Jura. Daarachter rezen nog hogere bergen met kale toppen op. Daar zou het heengaan. Moest ik niet hebben opgegeven. 

Ik voelde een steek in mijn hart bij de gedachte aan de rest van het parcours dat voor mij onontgonnen terrein zou blijven. Voor mij geen finish, geen voldoening. Wat voor mij als een vitale teleurstelling aanvoelde, was voor de Ultra01 echter een futiele gebeurtenis. De race ging onverminderd voort, de karavaan denderde voorbij. De Ultra01 vormde een soort van micro-universum waarin gestreden en gevochten werd. Genoten en geleden. Gezegevierd en verloren. Geconfronteerd en overstegen. Op het moment dat ik uit dat universum stapte, belandde ik in een vacuüm. Het was de enige reden waarom ik daar was. Waarom ik uren en uren achter het stuur had doorgebracht. Het was in de week voorafgaand aan het evenement het brandpunt van mijn aandacht geweest. Van zodra die reden verdampte, voelde ik me eenzaam en misplaatst. Het enige wat ik nog wilde was me zo snel mogelijk opsluiten in de eenzaamheid van mijn groezelige hotelkamertje. 

Ver weg van het hele gebeuren.

Plateau

Na mijn eigenlijk opgave, duurde het nog enkele uren vooraleer ik eindelijk in mijn hotelkamer arriveerde en onder de douche mijn wonden kon likken. Om te beginnen waren het geen drie dan wel zes kilometers die mij van de bevoorradingspost scheidden. Gelukkig diende ik niet het hele traject te wandelen. Kort nadat ik zelf had besloten om mijn schup af te kuisen, zag ik een collega loper ongelukkig door zijn enkel gaan.  Ik vergezelde hem nog een hele tijd terwijl hij moeizaam voort mankte, totdat hij besloot om het toch nog op een drafje te zetten. Toen ik wat later een asfaltweg kruiste, zag ik hem terug. Ook voor hem was het einde verhaal. Hij vertoefde in het gezelschap van enkele supporters die ons beiden een lift naar de verzorgingspost aanboden. 

Aldaar deed ik afstand van het eerste rugnummer dat ik in vele maanden tijd had mogen opspelden.

Vanaf dan ging het verbazingwekkend snel. Binnen de vijf minuten zat ik op een busje dat mij richting start voerde, toch een rit van bijna een uur. Vanaf de start restte me nog een autoritje van 10 minuten tot aan mijn verblijfplaats.

Terwijl ik de aftocht blies, was ik voornamelijk gefocust op het verlaten van de race. Ik keek uit naar een douche en het wederkeren naar een plaats waar ik tot rust zou kunnen komen. Eens ik in het comfort van mijn hotelkamer vertoefde, klom de teleurstelling pijlsnel de hoogte in. 

Om daar geruime tijd te blijven. 

Een plateau van desillusie waar ik nu al een week overheen aan het trekken ben. Het is intussen duidelijk dat er andere kant van het plateau geen steile afgrond te vinden is, eerder een flauw hellend vlak dat langzaam afdaalt naar de acceptatie. 

Analyse

Nu de tijd de kans heeft gehad om een kloofje te slaan tussen het gebeurde en het heden, kan ik er meer vanop een afstand naar kijken. 

De teleurstelling is normaal. Ook al was het 'maar' een wedstrijd en kan het altijd erger, het was al bij al een serieus engagement: honderden euro's aan inschrijving, benzine, péage, verblijf en inschrijvingsgelden. Tweemaal een rit van 700km. Elke die drie dagen alleen met de kinderen was achtergebleven om het avontuur voor mij mogelijk te maken. Als het dan op een teleurstelling uitdraait, is dat daadwerkelijk een verlieservaring. Ook het feit dat het de eerste wedstrijd in zeer lange tijd was, heeft geen onbelangrijke rol gespeeld. Ik had mezelf hoge verwachtingen opgelegd. 

Bovendien is ook het besef ingedaald dat ik niet klaar zal geraken voor de Great Escape. Na mijn mislukte Bello Gallico in december, had ik de Great Escape aangestipt als mijn tweede poging om de 100 mijl te lopen. Dat dit nu, negen maanden later, opnieuw niet zal lukken omwille van een nieuwe blessure smaakt bitter. 

Toch moet ik toegeven dat deze faalervaring geenszins een verrassing mag genoemd worden. Dat deze eigenlijk het resultaat is van een combinatie van keuzes, fouten in mijn trainingsopbouw en het koppig negeren van subtiele lichaamssignalen. 

Zo is het vermoeide, lethargische gevoel dat ik voor, tijdens en na de wedstrijd ervoer een gevolg van overbelasting. Die overbelasting vloeide dan weer voort uit een reeks foute keuzes en denkfouten die op hun beurt te herleiden zijn tot de onzekerheid die zo eigen is aan deze tijd. 

Een onzekerheid die er enerzijds voor zorgde dat ik er niet meer in geloofde dat in de toekomst geplande evenementen ook effectief zouden doorgaan en anderzijds het idee gaf dat elke mooie loop wel eens voor lange tijd de laatste zou kunnen zijn. Bijgevolg reeg ik de voorbije weken te veel langdurige en/of intensieve inspanningen aan elkaar. 

Eind juni 90km VaBoVA, eind juli de 126km lange GR573, kort nadien  een pittig verblijf in de Oostenrijkse Alpen en dan nog geen twee weken later... de Ultra01. 

Ergens wist ik wel dat het geen geweldig lumineus idee was om mezelf de hele week lang stevig uit te dagen in de bergen, twee weken voorafgaand aan de eerste echte ultra van het jaar. De saus van onzekerheid waarmee alles tegenwoordig overgoten is, maakte echter dat ik me er niet toe kon brengen om NIET het onderste uit de kan te halen tijdens mijn bergverblijf.

Was dit immers niet de enige bergvakantie in lange tijd? 

Wie zegt dat de Ultra01 effectief zal doorgaan?

Ik vind moeilijk om me volledig af te stemmen op iets dat misschien zal plaatsvinden.

Die enkel, dat is een ander verhaal: het vakkundig negeren en wegmoffelen van duidelijke lichaamssignalen. 

Dwaasheid. 

Het stemt alleszins tot nadenken. Ik hoop hieruit de nodige lessen te trekken en hieruit een andere aanpak te destilleren. Welke dat zal zijn? 

Geen idee.

Via de sociale media word je continu blootgesteld aan mensen die tot de verbeelding sprekende afstanden afhaspelen. Soms lijkt het alsof iedereen er in slaagt om aan een hoge frequentie ultralange afstanden weg te werken. Meerdere blessures lijken nu te tonen dat dit voor mij niet weggelegd is. 

Het wordt nu zoeken naar een manier om toch te blijven genieten van het ultratrailen -liefst naar best vermogen- zonder telkens over mijn grenzen te gaan. 




Reacties

Populaire posts van deze blog

Lof aan de Lofoten: deel 1 van ?

Lof aan de Lofoten (deel 3)