FKT GR573 (Een GRoteske escapade over berg en veen.)

"Huit coca's, s'il vous-plait."

Een koppel verbaasde ogen gluurt ons aan van over een lichtblauw mondkapje. Dan het stille besef: 'Ze zullen wel zitten wachten op de rest van hun gezelschap.'

Niet veel later wordt het verordonneerde octet voor ons op tafel neergeploft. Acht flesjes cola, vergezeld van 8 met ijsblokjes gevulde glazen.

"Deux verres, c'est assez," merken we op. Weer die verbouwereerde blik. Dan een schamper lachje. Wij blijven achter in het gezelschap van onze 8 cola's, terwijl de garçon weer afdruipt met zijn zes met werkloos ijs gevulde glaasjes.

We trekken de aandacht. Vanachter de andere tafeltjes worden steelse blikken onze richting uit geworpen. Het moet dan ook een bijzonder schouwspel zijn: Een dertiger en een veertiger. Beiden langharig en bezweet. De gespierde kuiten met modder besmeurd. Het gelaat getekend door vermoeidheid. Daar, op het dak van België gezeten, van elkaar gescheiden door 8 suikerdrankjes die in hoog tempo naar binnen worden gegoten.

We hebben op dat moment zo'n 73km en 9 loopuren onder de riem zitten. Nog ruim 50km hebben we te goed. Als de ober met die wetenschap zou bezwangerd geweest zijn, dan hadden zijn ogen misschien niet minder verbaasd gestaan maar dan had hij op zijn minst wel perfect begrepen waarom deze twee nozemachtige sportivo's zo gebrand waren op hun 8 glazen pepdrank.

***

Een tijdje geleden ben ik gefascineerd geraakt door het idee om de GR573 als FKT te lopen. Sinds het wegvallen van alle georganiseerde trailruns zijn FKT's mijn nieuwe stokpaardje geworden. Mijn nieuwe uitlaatklep. Het nieuwe schildersdoek waar ik mijn trippelende beentjes penseelsgewijs op loslaat. Voetstappen tekenen. Al is dat door de aanhoudende droogte moeilijk geworden. Mijn eerste FKT was een slordige marathon lang, de tweede een 78tal kilometers en de derde omvatte een tweetal marathons. Voor mij was het dan ook niet meer dan logisch om mij in de maand juli aan een FKT van om en bij de 100km te wagen. Desnoods mocht dat een dikke twintig kilometer meer zijn maar zeker ook niet langer dan 130km.

Omdat een FKT niet mag samenvallen met een officieel wedstrijdparcours en tevens een 'gedragen' route (dwz: niet zomaar een lukraak parcours maar een route die ook inspirerend is voor anderen) moet zijn, kom je al snel uit bij het GR netwerk. Nu blijken er tal van prachtige GR's ons landje te doorkruisen maar niet zelden wordt de G van 'grand' erg letterlijk genomen en zijn zelfs de wat kortere routes nog steeds zo'n 200km lang. Niet meteen wat ik in deze fase van mijn ultraloper-zijn ambieer. De weinige routes die wat bevattelijker van afstand zijn, blijken dan weer doorheen eerder saai Vlaamsch landschap te kronkelen. Ook niet meteen iets waarvoor ik mijn voeten wil kapotlopen.

Zo stond de GR Dijleland, 130km lang met een passage doorheen mijn thuisstad, even op mijn verlanglijstje. Na enige contemplatie verwees ik dat idee weer naar de prullenmand vanwege te vlak, te bekend en hierdoor wellicht te saai.

Als ik mijn benen dan toch naar de kloten ren, dan doe ik dat het liefst in een omgeving die mijn gevoel voor esthetica beroert.

Hoe kwam het dan dat de GR573, met zijn onsexy benaming maar o zo opwindende parcours, zolang onder mijn rader is gebleven? Dat komt omdat deze route officieel als 160km lang staat geboekstaafd maar in wezen een hoofdroute van zo'n 125km heeft. Van zodra ik dat doorhad, vielen alle puzzelstukjes op hun plaats.

GR573.

Het klonk me plotsklaps als muziek in de oren.

GR.

573!

Omdat ik van geboorte een eeuwige twijfelaar ben, werd ik nog een poosje heen en weer geslingerd tussen de twee uitersten van een ander dilemma: de route solo lopen en er voor mezelf de allersnelste tijd uit proberen putten OF de route samen met Lander lopen. Dat laatste zou betekenen dat het een veel fijnere en aangenamere ervaring zou worden maar dat ik toch enigszins onder de oppervlakte van mijn potentieel zou blijven. Lander is een waar ultrabeest met tonnen ervaring (een bron van inspiratie ook) maar onder normale omstandigheden tik ik tegenwoordig toch de kilometers iets sneller weg. Na een interne kosten-baten analyse besloot ik er toch een samen- en géén soloverhaal van te maken. Uiteindelijk zouden we 'slechts' een referentietijd neerzetten en zou uitlopen voldoende zijn om de FKT binnen te halen. Bovendien zou het wat rustigere tempo met zich meebrengen dat ik me wat zou kunnen sparen voor toekomstige inspanningen.

Alea eacta est!

***

Zo geschiedt het dat we op zaterdag 18/07 voor het krieken van de dag op de bijna lege bommeltrein richting Angleur zitten. Mondkapjes op. De ogen korrelig van de slaap na een nog geen vier uur tellende nacht. Mijn auto staat geparkeerd aan het station van Pepinster, het 30km- en tevens het eindpunt van de route.  Wat later staan we in Angleur. Post-industriële groezeligheid die wedijvert met het omliggende groen. Het grijze ochtendlicht dat een trieste deken over de reeds aanwezige grauwheid werpt.

Simultaan drukken we de startknop van onze GPS in en weg zijn we. Slalommend doorheen de urbane lelijkheid, langsheen het Ourthekanaal, de aanlokkelijkheid van de omliggende groene welvingen tegemoet. Die welvingen vormen de flanken van de Vesdervallei, voor een groot deel de rode draad doorheen onze tocht. De zon wint synchroon aan hoogte en werpt een gouden licht op de mistsluiers die over de valleibodem gedrapeerd liggen. De route kronkelt driest over de valleiflanken, de ene na de andere kuitenbijter dient zich aan. Hoewel we beiden nog fris zijn, dicteert ons verstand ons om de steilste stukken al wandelend te nemen.

Mijn hoogste hartslagpiek beleef ik ergens in een treurig Waals achtertuintje. De GPX dicteert ons eerst door een braakliggend stukje terrein dat nog enigszins deel zou kunnen uitmaken van de route, vervolgens gaat het onverbiddelijk doorheen een reeks omheinde achtertuintjes. Ikzelf contempleerde al gauw het maken van een omweg maar Lander boorde zich stug en onbuigzaam door alle hindernissen heen, zijn portable GPS als een soort van Bijbel in de hand. Plots stonden wij oog in oog met een woest blaffende hond. Ik draaide me al om met de intentie om als een hazenwind over de omheining te verdwijnen maar Lander liep onverschrokken op het grollende beest af. Met strenge blik wees hij het vermaledijde beest terecht en voorts zetten wij onze route.

Als we na zo'n 30km terug aan de auto in Pepinster staan hebben we duizend hoogtemeters in de benen. De gemiddelde snelheid ligt tussen de 9 en de 10km/u en we hebben geen pauze genomen. Op dat moment begrijp ik al dat we geen wereldrecords zullen breken. Met nog een kleine 100km voor de boeg zal het een heuse uitdaging worden om het eindgemiddelde boven de 8km/u te houden.

Ik laat het niet aan mijn hart komen. Het tempo voelde tijdens die eerste 30km alleszins aangenaam: niet te snel en niet te traag. De landschappen waren reeds fraai te noemen en de conversatie tussen Lander en mij trok zich vlot op gang.

Zittend op de kofferbak, verorber ik mijn voorverpakte wraps en giet daar een plas cola overheen. Ik vul mijn camelbag weer met ORS, gooi mijn rugzakje vol met gels en snickers en pleur mijn hoofdlamp er bovenop. We hopen deze echt niet nodig te hebben, toch weet je maar nooit. Intussen doet ook Lander zijn ding. Na een solide pauze zetten we koers richting zuiden en verlaten we de vallei van de Vesder. In wezen foefelen we zodoende een klein beetje met de route. Officieel behoor je na de passage doorheen Pepinster immers de Vesder te volgen tot in Eupen om nadien de Hoge Venen te doorkruisen en tot slot via Theux weer af te dalen richting Pepinster. Wij doen het -om logistieke redenen- omgekeerd.

***

Ik heb een avondgevoel. Meer specifiek: een vijf uur 's avonds gevoel. Ook al is het pal op de middag. De biologische klok is een gek ding. Of misschien juist een überlogisch ding. Ik ben vanochtend om 2u40 opgestaan. Dat is zo'n 4,5 uur vroeger dan wat ik de laatste gewend ben geraakt. Mijn biologisch klokje is dus vanochtend een kleine vijf uur eerder beginnen tikken. Mathematisch klopt het dus.

We klimmen traag maar gestaag doorheen open Herve-achtig landschap. De zon brandt. Mijn voeten branden. We hebben iets van een marathon op de teller staan.

"Een totaal arbitraire afstand." zeg ik tegen Lander. Toch beschouwen we dit stiekem als een mijlpaal. Eén marathon afgevinkt, nog twee voor de boeg.

We passeren het kasteel van Franchimont. Doorkruisen bossen en struinen door uitgestrekte weiden. Met dikke boomwortels dooraderde singletracks worden afgewisseld door brede sintelwegen. Hier en daar een hintje asfalt. We zijn het er over eens dat de route mooi is. Een parel onder de GR's.

We krijgen gezelschap van de Hoëgne. Ik profiteer van de aanwezigheid van water om mijn LifeStraw in te zetten. Aanvankelijk is het nog een gewone stroom die gezapig doorheen de weilanden en de bosjes treuzelt. Wat later betreden we de fameuze Vallée de la Hoëgne. Daar waar de toeristen even talrijk zijn als de glibberige, gladgeboende rotsen langs de oevers. Genieten is het. Maar met traagheid. Slowrunning. Het is pikkelen over de rotsen en de wortels die als palingen over het pad liggen. Mijn enkels vinden dit na 60km heel wat minder fijn.

Lander neemt tot tweemaal toe een bad in de koude rivier. Even de kuiten blussen. De moraal wat oppoetsen.

***

Even snel als de fraaiheid van de Vallée ons bij de strot greep, laat ze ons weer los. Weg Hoëgne. Weg weldadige koelte. Vaarwel met wouden omzoomde oevers van genot. Dag hitte. Ploeterend gaat het weer door droog, open landschap.

Waarover gaan de gesprekken met Lander eigenlijk? Gedurende al die uren vallen er relatief weinig stiltes. De banaliteiten van het leven worden in woorden gegoten, afgewisseld met diepgaandere stuff, persoonlijke shit, intrinsieke drijfveren enzo. Een kalfje en ook een koetje natuurlijk. En uiteraard gaat het over lopen. Ultra-vaak over lopen. Een losse flard. Wat luidop uitgesproken gedachten die al dan niet onbeantwoord blijven. Ondertitelingen bij het landschap. Ofwel te saai, ofwel juist té interessant voor publicatie.

De geur van dennenbomen komt ons toegewaaid. Een Ardennengevoel bekruipt mij.

"We associëren de Ardennen altijd met geurende sparren," zeg ik. Of denk ik? "In werkelijkheid is dit niet eens inheemse vegetatie. Allemaal aanplant."

Ondertiteling bij het landschap.

De frisse naaldwouden scheuren open en moeten wijken voor het veen. Het blijft echter bergop gaan. Ik herken een passage uit een vorig leven. Een singletrack die steevast in de Raid des Hautes Fagnes zat. De tijd waarin ik nog zat te prutsen op een mountainbike. Ik bedenk hoezeer ik het NIET mis om op een fiets te zitten en hoe blij en dankbaar ik ben dat ik het lopen in mijn leven heb. Het is ook bijzonder om te beseffen dat ik de afstanden die ik vroeger ver vond op de mountainbike, nu al lopend afleg.

Misschien spreek ik deze gedachten wel uit? Geen idee.

We lijken er goed vanaf te komen. De Venen zijn ons goed gezind. Geen zompige modderpassages of kapotte pontons zoals in VaBo. Hier gaat het over proper aangestampte sintelwegjes. Het voelt welhaast als vals spelen: de Venen doorkruisen en dat zonder tot aan je knieën in de blubber weg te zinken, zonder het gevoel te hebben dat er demonen in het slik huizen die gretig naar je enkels grijpen. Na bijna 70km zijn we er echter dankbaar om. We klauteren een beboste richel over die eenzaam uit het Veen omhoog rijst. Dan vervlakt het landschap weer. Vanachter de toppen van de bomen zien we de GSM-mast van het Signal de Botrange piepen. We passeren het weerstation op Mont Rigi.

Dan gaat het nog even kortstondig omhoog. Een strak aangelegd pad voert doorheen twee keurige bomenrijen. Ik voel me een soort van Mozes die door de uiteen gesplitte zee op weg is naar het beloofde land. Nee, eerlijk is eerlijk: dat is een gedachte die nu, tijdens het schrijven, in me opkomt. Op dat moment kon ik enkel en alleen aan cola denken.

Het Signal de Botrange. Eindelijk. Huit coca's. 

'***

Het Signal is een wespennest. Toeristen van allerlei pluimage cirkelen en zoemen er in het rond. Drinken en eten zich vol op de afgeladen terrassen. De nabijgelegen gewestweg gromt en grauwt en braakt de stank van uitlaatgassen uit. Het zou echter misplaatst zijn om hier cynisch en misantropisch over te gaan doen. Hoe waren wij anders aan onze achte cola's geraakt?

Na het verlaten van de taverne, geraken de benen maar moeizaam op gang. Niet zo prettig als je weet dat we nog 55km voor de boeg hebben. Een slenterpas, een dribbel, dan toch iets dat weer op lopen lijkt. Noordwaarts gaat het. De VaBo route zwenkt op dit punt uit naar links om dwars doorheen de Venen te snijden, onze track dicteert ons naar rechts. Voorts gaat het over nog bredere en hardere sintelwegen dan voorheen.

"Het ziet ernaar uit dat het een vlotte Veenpassage wordt," zeggen we triomfantelijk tegen elkaar.

***

"Volgens mij zijn we er nu echt bijna." zeg ik. Ik kan een lach nauwelijks onderdrukken. Ken je dat? Zo'n slappe idiote lach die ontspruit uit een gevoel van ellende?

"Zwijg toch!" kaatst Lander al lachend terug. Toch hoor ik tussen de regels door dat hij er echt genoeg van heeft.

Genoeg van de fucking kutvenen. De heupdiepe modder, de kilometers die voort glibberen aan een slijmerig slakkentempo. De kapotte pontons die er alles aan doen om onze kuiten te doorboren met hun uitstekende houtspaanders. Het wegzakkende oppervlak dat alles in het werk stelt om onze enkels te knakken.

Aaargh. GRrrrrrrr.

573.

De Venen blijken hun ellende opgespaard te hebben tot op het einde om deze in extremis vol in het gezicht te spuwen. Van het ene op het andere moment gingen de sintelpaden over in datgene waar ik de Venen voor ken. Modder. Drek. De meest instabiele bodem die in het land te vinden is.

Waar onze gemiddelde snelheid tijdens onze lange pauze op het Signal alreeds een flinke tuimelperte maakte, krijgt deze nu een genadeslag toegediend.

Ik moet toegeven: voor mij is het een oefening in adaptatie. Aan het loslaten van vooropgestelde doelstellingen. Ook al had ik wel verwacht dat de tocht wat langer zou duren en wat trager zou vorderen dan gehoopt, toch sluimert er in mijn brein steeds één of andere arbitraire ambitie. Deze of gene tijd die gehaald moet worden. Een bepaalde gemiddelde snelheid die ik mezelf opleg.

Over één ding zijn we het beiden roerend eens: we zouden absoluut betrachten om de gemiddelde snelheid niet onder de 8km/u te laten zakken. Vanaf dat punt wordt dit een soort van streefdoel. Weer een ontboezeming: voor mij persoonlijk werd die arbitraire 8km/u een klein beetje een obsessie.

***

Dankzij het lopen van VaBo en VaBoVa ken ik de laatste veensectie en de daaropvolgende afdaling richting Eupen als mijn eigen handpalm. Ik weet dat na de helse veentraverse de verlossing komen zou in de vorm van een vlotte, haast autostrade-achtige afdaling richting Eupen. We zullen onze benen rust kunnen gunnen terwijl wij met de vingers in onze neuzen de gemiddelde snelheid weer opkrikken tot ongekende hoogten. Onderwijl zullen wij met een euforisch gevoel het landschap, de prachtige vallei van de Helle, savoureren.

Ruim 10km freewheelen, hou ik mezelf en Lander voor.

Hoop is de moeder van het zelfbedrog!

Ondanks het feit dat ik de bewuste sectie in de voorbije maanden reeds drie maal heb gefrequenteerd, ontvouwt de realiteit zich geheel anders dan mijn blijde verwachtingen.

Die stukjes bergop? Zaten die er vorige keer ook in?

Die technische afdaling? Was die vorige keer ook zo lang?

Dat vlotte stuk sintelbaan? Was dat de vorige maal niet veel maar dan ook veel langer?

Huh?

Toch is dit een heel fijn stuk waarin de tempo's van Lander en mezelf elkaar wonderwel terugvinden. Na de Hel Van De Venen had zelfs een loopje met voetketenen rond de enkels aangevoeld als vlug en vrij. Dus toch freewheelen. Al is het maar eventjes. Na de afzink langsheen de Helle, bereiken we een vlakker stuk -de bodem van de Vallei- dat ons de armen van Eupen induwt.



Eupen is best een mooie stad. Met haar unter- en obergedeelte. Met haar Duitstalige gewesthoofdstadschap. Met de pittoreske gezelligheid en de omliggende natuurlijke fraaiheid. Dat weet ik van een eerdere trip of twee. Tijdens deze trip doorkruisen we Eupen met een totale blindheid voor esthetiek. Een totale ignorantie voor alles wat ons omringt. Onze breinen kennen slechts één -gemeenschappelijk -brandpunt. De winkel aan de andere kant van de stad.

***

Met het bereiken van de Carrefour, bereiken wij tevens het einde van een hoofdstuk. Een chapiter dat wij eigenbenig schreven. 100km's lang en welhaast 3000hms dik. Ruim het klokje rond. Een kapittel waarin de hoofdbrok over genieten gaat maar waarin enkele bittere verzen niet te ontkennen vallen. De ultrameester en de ultrapupil als protagonisten. De bezadigdheid van het Brabantse trekpaard en de bevlogenheid van de (relatief) jonge hengst.

Er staat ons echter nog een epiloog te wachten. Om die te kunnen schrijven doe ik me op de drukke autoparking tegoed aan alweer een cola, een focaccia en een alcohol vrij biertje met framozentint. Tevens vul ik mijn camelbag finaal met een lading ORS. De waterfilter verdwijnt de rugzak in, niet meer nodig.

God hemel!

Als die woorden door een Heiden worden uitgeroepen, dan weet je genoeg.

***

We breken met het landschap. De Vesder schijnt de noordgrens van de Oostelijke Ardennen te vormen. Visueel gezien lijkt dat te kloppen. Bezuiden deze iconische rivier is het al Veen en Woud wat de klok slaat. Benoorden opent het landschap zich weer in Herve-achtige toestanden. Met keurige haagjes omzoomde, frisgroene weiden waarin makke koetjes staan te smikkelen en te smakkelen op hun weer opgebraakte maaginhoud. Laat je echter niet vangen door de vredigheid van dat lakse landschap met haar uitgestreken heuvelruggen. Achter die uitgestrekenheid liggen de meest venijnige kuitenbijters op de loer. En als die kuiten -hoe gewelfd en getraind ook- reeds 100km lang gebeten zijn geweest dan kan daar nog maar weinig tandafdruk bij.

Pfff, weer een heuvel.

Kak, houdt dit nu nooit op?

We zitten allebei in een fase waarin het genoeg is geweest. Ikzelf wil er graag een einde aan maken. Hoezeer mijn benen ook klagen en kreunen, ik wil alleen maar versnellen en het beest de das omdoen. Ik heb het gehad! Ook voor Lander is het bobijntje stilaan af maar hij is niet meer te vinden voor een tempoversnelling. In de plaats daarvan vertragen we. De kilometers kruipen. We flirten met de grens van de 8km/u. Zo nu en dan, na één of ander kuitenbijtertje, zien we voor het eerst een zeven op het display van onze GPS verschijnen. Hoe betekenisloos ook, toch hebben we de 8km/u nog niet opgegeven.

8,00 km/u

Peninster komt in zicht. Urbane lelijkheid die gekoesterd wordt in de idylle van de Vesdervallei. Vanaf nu enkel bergaf?

Kuitenbijter.

7,9 km/u

De zon die de horizon vol kladt met haar wilde kleuren.

Het blijft potverdekke toch genieten!

8,00 km/u

In de bossen is het alreeds donker. Het parcours blijft maar heen en weer kronkelen door kleine pokketbosjes.

Pokketklimmetjes.

7,9km/u

De laatste rechte lijn: 8km/u

Oef. Aaah.

De auto!

High five ondanks Corona. Wat maakt het nog als je de godganse dag zwetend en hijgend in elkaars zog hebt gehangen?

Ik ben te moe om blij te zijn. Te blij om moe te zijn.

***

Nog een kluifje statistiek voor de mathematici onder ons:

Afgelegde afstand: 126,20 km.
Overwonnen hoogtemeters: 3446 (volgens de meest stoere berekening)
Tijd onderweg: 15u51 min
Beweegtijd: 14u04 min

Soldaat gemaakte voedingswaren:

6 cola's waarvan 2 Coca's en 4 Pesi's.
8 à 10 gels waarvan twee verrijkt met caffeïne, een gelijkaardig aantal Snickers.
1 koude focaccia
 2 voorverpakte wraps met geitenkaas. 
1 Radler.
4,5 liter ORS (een zoutoplossing die eigenlijk bedoeld is voor mensen met buikloop.)
1 liter gefilterd water uit de Hoëgne.
150 gram gezouten paprikanootjes.

Wat zeult een mens mee tijdens zo'n calvarietocht?

Rond de voeten: twee Saucony Peregrine's.
Rond de lendenen een versleten Nike broekjes.
Rond de romp een gratis verkregen shirt.
Op mijn dwaze kop een open Kalenji petje. Fantastische ontdekking, zo blijven mijn lange manen samen zonder dat mijn kop oververhit geraakt.

Rugzak: iets van Scott, gewonnen toen er nog wedstrijden georganiseerd werden.
10 gels, 10 snickers.
12 zakjes ORS/
LifeStraw.
200 gram zoute paprikanootjes.
Een hoofdplamp (Petzl NaoPlus), je weet maar nooit.
Een kamelenzak van Camelbag.
Een flinterdun maar o zo warm jasje van Montane (ook gewonnen op een wedstrijd).
Een powerbankje voor moest mijn sporthorloge gereanimeerd worden.

Rond mijn linkerpols mijn trouwe Suunto Ambit3Peak.







Reacties

Populaire posts van deze blog

Lof aan de Lofoten: deel 1 van ?

Lof aan de Lofoten (deel 3)