FKT VaBoVa (Veen en weer tussen Vaals en Botrange).
Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Sinds Covid-19 haar intrede deed in onze contreien, ging zowat het hele maatschappelijke gebeuren op slot en ging men met de botte bijl door alles wat voor de mens leuk en plezierig is. Hoewel de beproeving nog lang niet voorbij is, zijn intussen toch al heel wat sloten weer opengedraaid en staan sommige deuren weer op een kier. Of in sommige gevallen zelfs wagenwijd open.
Door een combinatie van cumulatieve domino-effecten en de golf van onzekerheid die door onze maatschappij trok, kijken we -hoewel kleinere evenementen intussen weer zijn toegelaten- toch nog steeds aan tegen een trailloze zomer. De weinige evenementen die zich wisten staande te houden ten midden van alle turbulentie, hebben immers hun inschrijvingen vervroegd afgesloten.
Hoe dan ook zijn alle trails waarvoor ik deze zomer was ingeschreven, of me voor wilde inschrijven reeds lang geleden afgelast. Wat overblijft is dus volzet.
Een trailloze zomer dus.
Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan.
Na een korte periode van neerslachtigheid en doelloosheid (die me er nooit van weerhield om te lopen) ging ik, net zoals zovele anderen, op zoek naar alternatieve uitdagingen. Manieren om de ontstane leemte op te vullen.
Ik experimenteerde met een Strava Challenge, liep 50x een lokaal bergje op in de hoop dat als snelste te doen (wat niet lukte) en deed een tweetal FKT's. Bij de eerste haalde ik solo het onderste uit de kan om enkele minuten van het record af te snoepen, de tweede verliep in het fijne gezelschap van Lander wat gemoedelijker.
Al snel kwam ik tot de conclusie dat het ondernemen van FKT pogingen mij het meeste bevrediging oplevert. Strava Challenges waarbij het gaat om 'zo snel mogelijk' of 'zo veel mogelijk' weken maar weinig intrinsieke motivatie in me los. Hoewel ik helemaal geen trage loper ben, ben ik beslist geen hazewind. Ooit ben ik gestopt met het lopen van 10 km wedstrijden en halve marathons op de weg omdat het najagen van een steeds snellere tijd op een vastgelegd tracé me geen voldoening meer gaf. De Hill Repeat Challenges bieden dan weer -hoewel een erg leuk en uitdagend initiatief- weinig variatie. Telkens hetzelfde heuveltje op en af, ik bedank er toch voor.
FKT's daarentegen spelen in op een aantal elementaire persoonlijke drijfveren. Allereerst is er het avontuurlijke element. Het overwinnen van onbekend terrein, het zoeken naar manieren om ondanks een gebrek aan een georganiseerde bevoorrading toch aan voldoende eten en drinken te geraken en tot slot: op jezelf aangewezen zijn. Alleen afzien, alleen genieten. Alleen navigeren. Hoewel ik beslist een sociaal dier ben en heel erg kan genieten van samen-ervaringen, hou ik zeker en vast ook van het nodige solistenwerk. Vertrekken wanneer ik wil, het tempo aanhouden dat op dat eigenste moment goed voor me voelt, vertragen wanneer ik moe ben en weer versnellen bij een endorfine-opstoot. Op professioneel vlak wordt al de hele week lang van mij verwacht om me extreem empathisch en extravert op te stellen, soms kan het dan deugd doen om de staart van de week in introversie door te brengen. De benen aan het woord laten terwijl mijn geest zwijgt, verstild door de natuur of het zwijgen opgelegd door muziek.
En dan is er het competitieve element. Hoewel de lockdown (en eerdere ervaringen) mij geleerd hebben dat ik geen competitie nodig heb om gemotiveerd te blijven én om te kunnen genieten van het lopen, vormt het voor mij toch een belangrijk ingrediënt. Lopen is voor mij als een lekker recept dat mijn geestelijk en lichamelijk gezond houdt. Dat past bij mijn persoonlijkheid. Het competitieve element vormt de afkruiding. Het extra vuur. Het hogere doel dat mij ook de deur doet uitgaan als ik na een vermoeiende werkdag geen zin meer heb, of als het repetitieve karakter van mijn lokale trainingsrondjes me begint tegen te vallen.
De FKT combineert beiden. Hoewel je een FKT-poging steeds solo of in kleine groep volbrengt, voel je in je nek steeds de virtuele adem van de vorige recordhouder. Of als het een first betreft, dan probeer je steeds het onderste uit de kan te halen om het de volgende zo moeilijk mogelijk te maken.
Liefde voor VaBo.
Vaals-Botrange was de eerste FKT die ik met mijn naam mocht ondertekenen. Los van de succeservaring, werd ik meteen verliefd op de route. Hoewel België alleen al talloze routes kent die Vabo in esthetisch opzicht ruimschoots overtreffen, heb ik een voorliefde voor routes met een betekenis. Het idee om van het hoogste punt van Nederland naar het hoogste punt van België te lopen fascineert me. Wellicht is mijn lekenliefde voor geografie daar niet vreemd aan. Ik vind het geweldig om tijdens een looptocht van enkele uren het geografische karakter van de omgeving zo drastisch te zien transformeren. Bovendien staat het karakter van de route op mijn lijf geschreven. Hoewel ik als trailloper enorm hou van technische singletracks en uitdagend terrein is de waarheid nu eenmaal dat ik veel beter tot mijn recht kom op goed beloopbare tracés.
VaBo is zeker en vast goed beloopbaar. Op het 44km lange traject zijn er slechts twee steile knikjes die me echt tot wandelen dwingen. Voor het overige bestaat het parcours uit goed beloopbaar vals plat en lange gestage klimpartijen. Enkel de lange passage doorheen de Hoge Venen maakt dat de route ondanks de lage hms/km ratio toch een uitdagend tintje krijgt. De Venen zijn -ondanks het licht glooiende karakter- een ware tempokiller. De sponsachtige ondergrond zuigt gewoon alle energie uit je looppassen.
Dubbele liefde voor VaBoVa.
Toen ik zo'n drie maanden eerder van start ging voor een poging op VaBo, schoot ik als een nerveuze hengst uit de startblokken. De eerste 25km volbracht ik in een tweetal uren. Door mijn gebrek aan parcourskennis ging ik ervan uit dat de hele route zo goed beloopbaar zou blijven en dat kwam mij op de Hoge Venen duur te staan. Ik kende een gigantische mentale en fysieke terugval en tijdens de laatste kilometers was het puffen, kreunen en krabben. Eerlijk: toen ik eindelijk het Signal de Botrange aantikte, was ik een lijk.
Deze keer weet ik beter. Om de dubbele afstand tot een goede einde te brengen zou een andere aanpak nodig zijn. Het is niet zo dat ik met de handrem omhoog loop maar toch temper ik mijn tempo doelbewust. De heuvelachtige passage doorheen de bossen rondom het drielandenpunt is me reeds bekend. Des te dommer is het dan ook dat ik op exact hetzelfde punt als enkele maanden terug het spoor bijster geraak en doorheen de doornstruiken loop te klooien. Deze keer weet ik wel veel sneller aansluiting te vinden met het juiste pad. Aanvankelijk gaat het traject in dalende lijn, weg het dak van Nederland. Na enkele kilometers overschrijd ik de Duitse grens en begint het terrein aan hoogte te winnen. De bossen rondom het drielandenpunt gaan over in het Duitste Preuswald en na de Duitste kuitenbijters betreed ik een Herve-achtig landschap van weilanden en kleine bosjes Het gaat vooral over brede veldwegen en iets langere asfaltstroken nu.
Ik voel me goed. Ik zit goed in mijn vel, heb zin in wat komen gaat en weet omwille van het iets lagere tempo veel meer en bewuster te genieten van de omgeving. Hoewel mijn gemiddelde snelheid uiteindelijk niet zo heel veel lager zal uitvallen dan op mijn enkele rit in maart, voelt het toch een heel stuk comfortabeler aan. De kilometers tikken vlot weg en de eerste uren heb ik geen behoefte aan muziek.
Stilte.
De enige hindernis die ik op mijn pad tegenkom is een koeienweide. De gps dicteert me om een langgerekt weiland over te steken. Net als ik over het hek wil heen klauteren, passeert een lange colonne runderen die de oversteek van de ene weide naar de andere maken. Om het eiland over te kunnen steken moet ik me te midden van de troep lomp kijkende herkauwers begeven. Ik heb daar helemaal geen zin in. Of eerlijker: ik heb schrik.
Ik geef het niet graag toe aan mezelf maar ik ben bang. Een soort van irrationele angst dat de kudde makke graseters plots op hol gaat slaan en mij -dat dunne kleine traillopertje- daarbij genadeloos zal vertrappelen, beheerst mijn gedachten. Of dat er zich ergens tussen die brave zevenmagigen een woeste stier bevindt die niet zal aarzelen om zijn territorium en bijbehorende harem te vuur en te hoorn te verdedigen. Ik vraag me af waar deze angst vandaan komt maar blijf mezelf het antwoord schuldig. Als jonge scoutsboy heb ik zonder enig probleem tal van koeienweiden getraverseerd. In een recenter verleden zette ik zelfs mijn tentje neer te midden van Alaskaans berengebied. En nu? Nu durf ik geen Ardeense koeienweide te betreden. Ik mag dat dan wel gek van mezelf vinden, mezelf er zelfs voor schamen: het verandert niets aan de realiteit. Ik wacht totdat alle koeien gepasseerd zijn, steek dan schichtig het eerste weiland over, duik een prikkeldraad onder om de rest van de weide te omzeilen en kruip helemaal op het einde weer onder de prikkeldraad door om terug op de route aan te sluiten. Ik verlies ettelijke minuten en mijn gemiddelde snelheid zakt merkbaar.
De kilometers die volgen, leg ik er wat meer de pees op vanuit de onrealistische wens om de verloren tijd 'goed te maken'. Dat kan natuurlijk niet. Tijd die voorbij is kan niet meer teruggewonnen worden.
Simpel.
De Helle en de hel van de Venen.
Na een passage langs de Barrage van Eupen gaat het onverbiddelijk omhoog over het vertrouwde pad langs de rivier de Helle. Eerst volgt een brutale knik in het landschap die me op en over de valleiflank brengt, zowat het enige stuk waar lopen voor mij niet mogelijk of wenselijk is, vervolgens kom ik op een grindweg terecht die me langs de oever van de rivier omhoog zal leiden. Ik weet dat het nu stijgen geblazen is. De rivier vormt de bruinrode draad van de klim. De Helle ontspringt namelijk op de Hoge Venen -het dak van België- om vervolgens doorheen het Hertogenwald naar beneden te kletteren om tot slot haar inhoud uit te braken in het Lac d'Eupen. Voor het eerst tijdens de tocht maak ik gebruik van mijn LifeStraw. Ik vul de bijbehorende softflask, schroef de LifeStraw erop en sip al klimmend water naar binnen. Ik hoop dit de hele tocht vol te houden. In principe heb ik voldoende eten mee en aan water zou er op deze manier geen gebrek mogen zijn. Ik heb dan ook de intentie om de tocht unsupported te doen.
Naar het einde van de klim toe, ervaar ik een weerfenomeen dat zich drie maanden eerder ook voordeed. Hoewel het -gelukkig!- helemaal geen hete dag is, was het in de bodem van de vallei aangenaam warm en zonnig. Vlak voor de wouden overgingen in veen, daalt er plots een opvallende frisheid over me neer. De hemel is dreigend en betrokken. Boven de heuveltoppen bollen vette stapelwolken op. Wat later steek ik de laatste keer de Helle over en laat het Hertogenwald achter me. Voor even toch. Straks doe ik de route immers in omgekeerde richting. Nog even klim ik doorheen de overgangszone tussen bos en veen. De ondergrond is duidelijk veenachtig maar her en der houden nog kleine bosjes dapper stand.
Hoewel het terrein steeds meer vervlakt en ik véél sterker aan deze passage begin dan tijdens mijn FKT in maart, zakt het tempo aanzienlijk. Ondanks het feit dat de laatste 8 kilometers zo goed als hoogtemeterloos zijn, ervaar ik dit als het zwaarste gedeelte van het hele traject. De sponsachtige bodem lijkt de energie van mijn looppassen in stilte te absorberen. Elke aanzet wordt grotendeels tenietgedaan door het veen en vertaalt zich slechts beperkt in een voorwaartse beweging. Gelukkig weet ik deze keer dat deze moeilijkheden komen zouden.
Opvallend: ondanks de voorbije droogte liggen de Venen er fris en groen bij, daar waar deze in maart een soort van vaalbruine kleur hadden.
Droog op het dag van België
Uiteindelijk bereik ik na 4u03' het Signal de Botrange. Dat is zeven minuten meer dan ik nodig had op het enkele traject dat ik deed in maart maar het zou nog steeds een FKT geweest zijn. Ik voel me nog relatief fris maar wel dorstig. De venen lagen er droog bij waarop ik uit pure noodzaak water gebruikte uit een plas gortbruin, stilstaand water. Tot mijn verbazing wist mijn LifeStraw ook dit soort van viezigheid de baas! Toch dronk ik over het algemeen wat te weinig waardoor ik snakkend naar water de Botrange aantikte.
Daar waar het in maart stil en verlaten was geweest op de top van ons land, is het nu een drukte van jewelste. Even kom ik in verleiding om de taverne binnen te wandelen en mij te laven aan een cola of twee, drie. Ik onderdruk echter deze tantaluskwelling en loop meteen de achterliggende bossen in, op zoek naar het kabbelende beekje dat ik daar enkele maanden geleden ontdekte en nu ook weer hoop te vinden. Mijn plan blijft: unsupported. Water filteren aan het beekje, desnoods mijn Camelbag ermee vullen, snel de wraps die ik bij heb verorberen en weer de terugweg aanvatten.
In de praktijk loopt het anders.
Het beekje blijkt verschaald te zijn tot een bodem van toxisch ogend slib. Ik mag dan nog zo hoog oplopen met de LifeStraw, hier waag ik me niet aan. Een no brainer. Ik wandel het bos uit en kijk rond op zoek naar andere natuurlijke waterbronnen. Eigenlijk is het kalf dan al verdronken. Ik weet dan al dat ik de toiletten van de taverne zal binnenwandelen om daar mijn camelbag te vullen.
Zo geschiedt het ook. Vermits de FKT nu niet langer unsupported kan genoemd worden, besluit ik ineens 'all the way' te gaan. Ik bestel mijn gedroomde twee cola's en kloek deze meteen na elkaar naar binnen. Heerlijk!
Unsupported mijn kloten, denk ik.
En mijn wraps? Die verdwijnen na een korte aanblik samen met mijn unsupported plannen in de vuilbak. Letterlijk.
Eigenlijk is dat een probleem. Tijdens ultra's verdwijnt gaandeweg mijn eetlust tot op een punt dat ik welhaast niets meer door mijn keelgat geduwd krijg, ook al heb ik de energie o zo nodig. Gels lukken nog maar onvoldoende en met grote tegenzin. De ene keer valt het wat beter mee dan anders. Intussen begin ik door te krijgen dat de warmte en de intensiteit hier absoluut voor iets tussen zitten. Tijdens de Bello Gallico -die in winterse omstandigheden gelopen wordt- had ik dertien uur lang geen enkel probleem met eten. Ook tijdens relatief trage trainingstochten stelt dit probleem zich niet. Toch iets waar ik in de toekomst een oplossing voor moet vinden. Zeker als ik van plan blijf om steeds langere tochten te lopen.
Al bij al verlies ik door de onvoorziene stop in de taverne en mijn vruchteloze zoektocht naar water ruim een kwartier. Ik heb 4u20' op de teller wanneer ik aan de langgerekte afdaling begin.
De aftocht
Initieel ben ik licht gefrustreerd over het tijdverlies maar door de wat langere rustpauze lijken mijn benen zichzelf terug gevonden te hebben. Met hernieuwde tred loop ik in dalende lijn over de venen. Misschien heft het tijdverlies zichzelf wel op?
Hoewel ik mijn tocht goed lijk ingedeeld te hebben en ik geen noemenswaardige dips of verval ervaar, verloopt de terugweg -ondanks de dalende lijn- merkbaar trager dan de heenweg. Hoewel ik bijna constant water doorheen mijn LifeStraw naar binnen zuig, ervaar ik een toenemende dorst. Ik maak dan ook wat vaker korte pitstops om mijn softflask weer bij te vullen. Bovendien zijn mijn spieren merkbaar vermoeider dan op de heenweg waardoor de afdaling van de Helle minder snel verloopt dan mogelijk zou zijn in frisse toestand.
Toch heb ik het gevoel relatief snel weer aan de Barrage van Eupen te staan. Het was me nog niet eerder opgevallen maar ook de oevers van de Barrage zijn gezegend met een horeca establishment.
'Als we dan toch het unsupported ethos laten varen hebben, dan kan ik mezelf maar beter goed in de watten leggen.' bedenk ik.
Na een korte aarzeling begeef ik me op de binnenplaats van de taverne met de intentie mijn camelbag te vullen, snel een cola te drinken en met frisse moed de laatste 25km aan te vatten. Dat lukt. Al moet ik veel langer dan gehoopt wachten op mijn cola. Eigenlijk gaat het -gezien de heersende drukte- heel erg snel maar als je bezig bent aan een FKT doet het pijn om de minuten te zien wegtikken terwijl je staat te wachten op een blikje cola. In zeven haast kloek ik de cola naar binnen en laat het gebouw achter me.
Terwijl ik een looppas aanzet, grijp ik naar mijn oortjes. Muziek is welkom! Auditieve doping. Waar zijn ze nu? Mijn GSM? Ik begin verwoed in het rond te tasten maar plots daalt het besef in dat ik mijn GSM aan het waterkraantje heb laten liggen terwijl ik mijn camelbag aan het bijvullen was. Ik snel de taverne weer in, werp een blik op het kraantje en stel vast dat mijn GSM verdwenen is.
Fuck!
Een koude stressgolf rolt doorheen mijn borstkas. Ik spreek iemand achter de toog aan en vraag of ze mijn GSM gezien hebben. De gevreesde 'nein'. Ik weet niet goed wat mij op dit moment het meeste afschuw bezorgt: het verlies van mijn GSM zelf of het feit dat ik misschien mijn FKT zal verliezen door tientallen minuten lang uit te proberen klaren waar mijn GSM is. Ik denk mezelf een resem verwensingen toe en overweeg kortstondig om mijn GSM te laten voor wat het is.
'Dat is het niet waard!' spreekt de stem van de rede me toe.
Ik besluit om het nog aan twee mensen te vragen en vervolgens inderdaad maar terug op pad te gaan.
Ik spreek een ober aan. Weer die scherpe, hemeltergende 'nein'. God, wat haat ik de Duitste taal. Nein klinkt zoveel erger dan een zachte, mompelend uitgesproken Vlaamse neen. Even denk ik dat het hier zal ophouden maar de lieve man spreekt een vrouwelijke collega aan. Wat gewauwel in het Duits. Ik onderscheid het woord 'Handy', wat blijkbaar GSM betekent.
Handy. Nooit meer zal ik dat woord vergeten. Handy. Handy!
Even later heb ik mijn GSM weer in de hand, stamel een bedankje en loop met bonzend hart naar buiten. Weer aanzienlijk wat tijd verloren!
De adrenaline van de 'fast verlorenes Handy' bezorgt me even vleugels. Ik snel doorheen het Katharinenbusch en blijf goed tempo maken over de lange veldwegen doorheen het Herve-achtige landschap. Opnieuw de koeienweide door. Deze keer verloopt dat gelukkig heel wat vlotter. Mijn herkauwende vriendinnen hebben zich namelijk teruggetrokken aan de overkant van de weide.
Ik dank God.
Het dak van Nederland. Buigen maar niet breken.
Het tempo en de moraal blijven kilometers lang betrekkelijk hoog. Even ziet het er zelfs naar uit dat ik ondanks de vele vertragingen een FKT onder 8u30' zal neerzetten. Zo'n 50' sneller dan het vorige parcoursrecord. De Vaalserberg steekt daar echter een stokje voor.
Ik wist dat hij komen zou. Ik wist exact hoe hij voelt, eruitziet en zelfs ruikt. En toch weet hij me te verrassen. Hij dient me geen mokerslag toe maar deelt wel een stevige por in de ribben uit. Mijn lichaam laat voelen dat ik vandaag mijn best gedaan heb. Mijn benen doen pijn en zenden protestsignalen uit. De kilometers verlopen -ondanks dat ik het onderste uit de kan haal- vrij traag. Op de steilere stukjes gaat het telkens wandelend. Ik zie in dat een tijd onder de 8u30' niet meer mogelijk is. Ik besef anderzijds ook dat er al een zwaar ongeluk moet gebeuren om mij van die FKT af te houden. Toch probeer ik er voor mezelf nog het beste uit te halen.
Het beste. Zonder dood te vallen.
Wanneer ik eindelijk uit de bossen tevoorschijn kom en het drukke drielandenpunt oversteek, bekruipt me dat unieke ultrafinish gevoel. Dat specifieke gevoel dat maar heel even duurt maar waar je wel meerdere uren voor moet lopen om het te kunnen ervaren. Vluchtig. Waardevol. Nauwelijks in herinneringen te vatten.
Een vreemde cocktail van pijn, euforie, opluchting, trots en spijt.
Spijt dat het avontuur weer voorbij is.
Een avontuur dat 8u42'46" geduurd heeft.
Sinds Covid-19 haar intrede deed in onze contreien, ging zowat het hele maatschappelijke gebeuren op slot en ging men met de botte bijl door alles wat voor de mens leuk en plezierig is. Hoewel de beproeving nog lang niet voorbij is, zijn intussen toch al heel wat sloten weer opengedraaid en staan sommige deuren weer op een kier. Of in sommige gevallen zelfs wagenwijd open.
Door een combinatie van cumulatieve domino-effecten en de golf van onzekerheid die door onze maatschappij trok, kijken we -hoewel kleinere evenementen intussen weer zijn toegelaten- toch nog steeds aan tegen een trailloze zomer. De weinige evenementen die zich wisten staande te houden ten midden van alle turbulentie, hebben immers hun inschrijvingen vervroegd afgesloten.
Hoe dan ook zijn alle trails waarvoor ik deze zomer was ingeschreven, of me voor wilde inschrijven reeds lang geleden afgelast. Wat overblijft is dus volzet.
Een trailloze zomer dus.
Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan.
Na een korte periode van neerslachtigheid en doelloosheid (die me er nooit van weerhield om te lopen) ging ik, net zoals zovele anderen, op zoek naar alternatieve uitdagingen. Manieren om de ontstane leemte op te vullen.
Ik experimenteerde met een Strava Challenge, liep 50x een lokaal bergje op in de hoop dat als snelste te doen (wat niet lukte) en deed een tweetal FKT's. Bij de eerste haalde ik solo het onderste uit de kan om enkele minuten van het record af te snoepen, de tweede verliep in het fijne gezelschap van Lander wat gemoedelijker.
Al snel kwam ik tot de conclusie dat het ondernemen van FKT pogingen mij het meeste bevrediging oplevert. Strava Challenges waarbij het gaat om 'zo snel mogelijk' of 'zo veel mogelijk' weken maar weinig intrinsieke motivatie in me los. Hoewel ik helemaal geen trage loper ben, ben ik beslist geen hazewind. Ooit ben ik gestopt met het lopen van 10 km wedstrijden en halve marathons op de weg omdat het najagen van een steeds snellere tijd op een vastgelegd tracé me geen voldoening meer gaf. De Hill Repeat Challenges bieden dan weer -hoewel een erg leuk en uitdagend initiatief- weinig variatie. Telkens hetzelfde heuveltje op en af, ik bedank er toch voor.
FKT's daarentegen spelen in op een aantal elementaire persoonlijke drijfveren. Allereerst is er het avontuurlijke element. Het overwinnen van onbekend terrein, het zoeken naar manieren om ondanks een gebrek aan een georganiseerde bevoorrading toch aan voldoende eten en drinken te geraken en tot slot: op jezelf aangewezen zijn. Alleen afzien, alleen genieten. Alleen navigeren. Hoewel ik beslist een sociaal dier ben en heel erg kan genieten van samen-ervaringen, hou ik zeker en vast ook van het nodige solistenwerk. Vertrekken wanneer ik wil, het tempo aanhouden dat op dat eigenste moment goed voor me voelt, vertragen wanneer ik moe ben en weer versnellen bij een endorfine-opstoot. Op professioneel vlak wordt al de hele week lang van mij verwacht om me extreem empathisch en extravert op te stellen, soms kan het dan deugd doen om de staart van de week in introversie door te brengen. De benen aan het woord laten terwijl mijn geest zwijgt, verstild door de natuur of het zwijgen opgelegd door muziek.
En dan is er het competitieve element. Hoewel de lockdown (en eerdere ervaringen) mij geleerd hebben dat ik geen competitie nodig heb om gemotiveerd te blijven én om te kunnen genieten van het lopen, vormt het voor mij toch een belangrijk ingrediënt. Lopen is voor mij als een lekker recept dat mijn geestelijk en lichamelijk gezond houdt. Dat past bij mijn persoonlijkheid. Het competitieve element vormt de afkruiding. Het extra vuur. Het hogere doel dat mij ook de deur doet uitgaan als ik na een vermoeiende werkdag geen zin meer heb, of als het repetitieve karakter van mijn lokale trainingsrondjes me begint tegen te vallen.
De FKT combineert beiden. Hoewel je een FKT-poging steeds solo of in kleine groep volbrengt, voel je in je nek steeds de virtuele adem van de vorige recordhouder. Of als het een first betreft, dan probeer je steeds het onderste uit de kan te halen om het de volgende zo moeilijk mogelijk te maken.
Liefde voor VaBo.
Vaals-Botrange was de eerste FKT die ik met mijn naam mocht ondertekenen. Los van de succeservaring, werd ik meteen verliefd op de route. Hoewel België alleen al talloze routes kent die Vabo in esthetisch opzicht ruimschoots overtreffen, heb ik een voorliefde voor routes met een betekenis. Het idee om van het hoogste punt van Nederland naar het hoogste punt van België te lopen fascineert me. Wellicht is mijn lekenliefde voor geografie daar niet vreemd aan. Ik vind het geweldig om tijdens een looptocht van enkele uren het geografische karakter van de omgeving zo drastisch te zien transformeren. Bovendien staat het karakter van de route op mijn lijf geschreven. Hoewel ik als trailloper enorm hou van technische singletracks en uitdagend terrein is de waarheid nu eenmaal dat ik veel beter tot mijn recht kom op goed beloopbare tracés.
VaBo is zeker en vast goed beloopbaar. Op het 44km lange traject zijn er slechts twee steile knikjes die me echt tot wandelen dwingen. Voor het overige bestaat het parcours uit goed beloopbaar vals plat en lange gestage klimpartijen. Enkel de lange passage doorheen de Hoge Venen maakt dat de route ondanks de lage hms/km ratio toch een uitdagend tintje krijgt. De Venen zijn -ondanks het licht glooiende karakter- een ware tempokiller. De sponsachtige ondergrond zuigt gewoon alle energie uit je looppassen.
Dubbele liefde voor VaBoVa.
Toen ik zo'n drie maanden eerder van start ging voor een poging op VaBo, schoot ik als een nerveuze hengst uit de startblokken. De eerste 25km volbracht ik in een tweetal uren. Door mijn gebrek aan parcourskennis ging ik ervan uit dat de hele route zo goed beloopbaar zou blijven en dat kwam mij op de Hoge Venen duur te staan. Ik kende een gigantische mentale en fysieke terugval en tijdens de laatste kilometers was het puffen, kreunen en krabben. Eerlijk: toen ik eindelijk het Signal de Botrange aantikte, was ik een lijk.
Deze keer weet ik beter. Om de dubbele afstand tot een goede einde te brengen zou een andere aanpak nodig zijn. Het is niet zo dat ik met de handrem omhoog loop maar toch temper ik mijn tempo doelbewust. De heuvelachtige passage doorheen de bossen rondom het drielandenpunt is me reeds bekend. Des te dommer is het dan ook dat ik op exact hetzelfde punt als enkele maanden terug het spoor bijster geraak en doorheen de doornstruiken loop te klooien. Deze keer weet ik wel veel sneller aansluiting te vinden met het juiste pad. Aanvankelijk gaat het traject in dalende lijn, weg het dak van Nederland. Na enkele kilometers overschrijd ik de Duitse grens en begint het terrein aan hoogte te winnen. De bossen rondom het drielandenpunt gaan over in het Duitste Preuswald en na de Duitste kuitenbijters betreed ik een Herve-achtig landschap van weilanden en kleine bosjes Het gaat vooral over brede veldwegen en iets langere asfaltstroken nu.
Ik voel me goed. Ik zit goed in mijn vel, heb zin in wat komen gaat en weet omwille van het iets lagere tempo veel meer en bewuster te genieten van de omgeving. Hoewel mijn gemiddelde snelheid uiteindelijk niet zo heel veel lager zal uitvallen dan op mijn enkele rit in maart, voelt het toch een heel stuk comfortabeler aan. De kilometers tikken vlot weg en de eerste uren heb ik geen behoefte aan muziek.
Stilte.
De enige hindernis die ik op mijn pad tegenkom is een koeienweide. De gps dicteert me om een langgerekt weiland over te steken. Net als ik over het hek wil heen klauteren, passeert een lange colonne runderen die de oversteek van de ene weide naar de andere maken. Om het eiland over te kunnen steken moet ik me te midden van de troep lomp kijkende herkauwers begeven. Ik heb daar helemaal geen zin in. Of eerlijker: ik heb schrik.
Ik geef het niet graag toe aan mezelf maar ik ben bang. Een soort van irrationele angst dat de kudde makke graseters plots op hol gaat slaan en mij -dat dunne kleine traillopertje- daarbij genadeloos zal vertrappelen, beheerst mijn gedachten. Of dat er zich ergens tussen die brave zevenmagigen een woeste stier bevindt die niet zal aarzelen om zijn territorium en bijbehorende harem te vuur en te hoorn te verdedigen. Ik vraag me af waar deze angst vandaan komt maar blijf mezelf het antwoord schuldig. Als jonge scoutsboy heb ik zonder enig probleem tal van koeienweiden getraverseerd. In een recenter verleden zette ik zelfs mijn tentje neer te midden van Alaskaans berengebied. En nu? Nu durf ik geen Ardeense koeienweide te betreden. Ik mag dat dan wel gek van mezelf vinden, mezelf er zelfs voor schamen: het verandert niets aan de realiteit. Ik wacht totdat alle koeien gepasseerd zijn, steek dan schichtig het eerste weiland over, duik een prikkeldraad onder om de rest van de weide te omzeilen en kruip helemaal op het einde weer onder de prikkeldraad door om terug op de route aan te sluiten. Ik verlies ettelijke minuten en mijn gemiddelde snelheid zakt merkbaar.
De kilometers die volgen, leg ik er wat meer de pees op vanuit de onrealistische wens om de verloren tijd 'goed te maken'. Dat kan natuurlijk niet. Tijd die voorbij is kan niet meer teruggewonnen worden.
Simpel.
De Helle en de hel van de Venen.
Na een passage langs de Barrage van Eupen gaat het onverbiddelijk omhoog over het vertrouwde pad langs de rivier de Helle. Eerst volgt een brutale knik in het landschap die me op en over de valleiflank brengt, zowat het enige stuk waar lopen voor mij niet mogelijk of wenselijk is, vervolgens kom ik op een grindweg terecht die me langs de oever van de rivier omhoog zal leiden. Ik weet dat het nu stijgen geblazen is. De rivier vormt de bruinrode draad van de klim. De Helle ontspringt namelijk op de Hoge Venen -het dak van België- om vervolgens doorheen het Hertogenwald naar beneden te kletteren om tot slot haar inhoud uit te braken in het Lac d'Eupen. Voor het eerst tijdens de tocht maak ik gebruik van mijn LifeStraw. Ik vul de bijbehorende softflask, schroef de LifeStraw erop en sip al klimmend water naar binnen. Ik hoop dit de hele tocht vol te houden. In principe heb ik voldoende eten mee en aan water zou er op deze manier geen gebrek mogen zijn. Ik heb dan ook de intentie om de tocht unsupported te doen.
Naar het einde van de klim toe, ervaar ik een weerfenomeen dat zich drie maanden eerder ook voordeed. Hoewel het -gelukkig!- helemaal geen hete dag is, was het in de bodem van de vallei aangenaam warm en zonnig. Vlak voor de wouden overgingen in veen, daalt er plots een opvallende frisheid over me neer. De hemel is dreigend en betrokken. Boven de heuveltoppen bollen vette stapelwolken op. Wat later steek ik de laatste keer de Helle over en laat het Hertogenwald achter me. Voor even toch. Straks doe ik de route immers in omgekeerde richting. Nog even klim ik doorheen de overgangszone tussen bos en veen. De ondergrond is duidelijk veenachtig maar her en der houden nog kleine bosjes dapper stand.
Hoewel het terrein steeds meer vervlakt en ik véél sterker aan deze passage begin dan tijdens mijn FKT in maart, zakt het tempo aanzienlijk. Ondanks het feit dat de laatste 8 kilometers zo goed als hoogtemeterloos zijn, ervaar ik dit als het zwaarste gedeelte van het hele traject. De sponsachtige bodem lijkt de energie van mijn looppassen in stilte te absorberen. Elke aanzet wordt grotendeels tenietgedaan door het veen en vertaalt zich slechts beperkt in een voorwaartse beweging. Gelukkig weet ik deze keer dat deze moeilijkheden komen zouden.
Opvallend: ondanks de voorbije droogte liggen de Venen er fris en groen bij, daar waar deze in maart een soort van vaalbruine kleur hadden.
Droog op het dag van België
Uiteindelijk bereik ik na 4u03' het Signal de Botrange. Dat is zeven minuten meer dan ik nodig had op het enkele traject dat ik deed in maart maar het zou nog steeds een FKT geweest zijn. Ik voel me nog relatief fris maar wel dorstig. De venen lagen er droog bij waarop ik uit pure noodzaak water gebruikte uit een plas gortbruin, stilstaand water. Tot mijn verbazing wist mijn LifeStraw ook dit soort van viezigheid de baas! Toch dronk ik over het algemeen wat te weinig waardoor ik snakkend naar water de Botrange aantikte.
Daar waar het in maart stil en verlaten was geweest op de top van ons land, is het nu een drukte van jewelste. Even kom ik in verleiding om de taverne binnen te wandelen en mij te laven aan een cola of twee, drie. Ik onderdruk echter deze tantaluskwelling en loop meteen de achterliggende bossen in, op zoek naar het kabbelende beekje dat ik daar enkele maanden geleden ontdekte en nu ook weer hoop te vinden. Mijn plan blijft: unsupported. Water filteren aan het beekje, desnoods mijn Camelbag ermee vullen, snel de wraps die ik bij heb verorberen en weer de terugweg aanvatten.
In de praktijk loopt het anders.
Het beekje blijkt verschaald te zijn tot een bodem van toxisch ogend slib. Ik mag dan nog zo hoog oplopen met de LifeStraw, hier waag ik me niet aan. Een no brainer. Ik wandel het bos uit en kijk rond op zoek naar andere natuurlijke waterbronnen. Eigenlijk is het kalf dan al verdronken. Ik weet dan al dat ik de toiletten van de taverne zal binnenwandelen om daar mijn camelbag te vullen.
Zo geschiedt het ook. Vermits de FKT nu niet langer unsupported kan genoemd worden, besluit ik ineens 'all the way' te gaan. Ik bestel mijn gedroomde twee cola's en kloek deze meteen na elkaar naar binnen. Heerlijk!
Unsupported mijn kloten, denk ik.
En mijn wraps? Die verdwijnen na een korte aanblik samen met mijn unsupported plannen in de vuilbak. Letterlijk.
Eigenlijk is dat een probleem. Tijdens ultra's verdwijnt gaandeweg mijn eetlust tot op een punt dat ik welhaast niets meer door mijn keelgat geduwd krijg, ook al heb ik de energie o zo nodig. Gels lukken nog maar onvoldoende en met grote tegenzin. De ene keer valt het wat beter mee dan anders. Intussen begin ik door te krijgen dat de warmte en de intensiteit hier absoluut voor iets tussen zitten. Tijdens de Bello Gallico -die in winterse omstandigheden gelopen wordt- had ik dertien uur lang geen enkel probleem met eten. Ook tijdens relatief trage trainingstochten stelt dit probleem zich niet. Toch iets waar ik in de toekomst een oplossing voor moet vinden. Zeker als ik van plan blijf om steeds langere tochten te lopen.
Al bij al verlies ik door de onvoorziene stop in de taverne en mijn vruchteloze zoektocht naar water ruim een kwartier. Ik heb 4u20' op de teller wanneer ik aan de langgerekte afdaling begin.
De aftocht
Initieel ben ik licht gefrustreerd over het tijdverlies maar door de wat langere rustpauze lijken mijn benen zichzelf terug gevonden te hebben. Met hernieuwde tred loop ik in dalende lijn over de venen. Misschien heft het tijdverlies zichzelf wel op?
Hoewel ik mijn tocht goed lijk ingedeeld te hebben en ik geen noemenswaardige dips of verval ervaar, verloopt de terugweg -ondanks de dalende lijn- merkbaar trager dan de heenweg. Hoewel ik bijna constant water doorheen mijn LifeStraw naar binnen zuig, ervaar ik een toenemende dorst. Ik maak dan ook wat vaker korte pitstops om mijn softflask weer bij te vullen. Bovendien zijn mijn spieren merkbaar vermoeider dan op de heenweg waardoor de afdaling van de Helle minder snel verloopt dan mogelijk zou zijn in frisse toestand.
Toch heb ik het gevoel relatief snel weer aan de Barrage van Eupen te staan. Het was me nog niet eerder opgevallen maar ook de oevers van de Barrage zijn gezegend met een horeca establishment.
'Als we dan toch het unsupported ethos laten varen hebben, dan kan ik mezelf maar beter goed in de watten leggen.' bedenk ik.
Na een korte aarzeling begeef ik me op de binnenplaats van de taverne met de intentie mijn camelbag te vullen, snel een cola te drinken en met frisse moed de laatste 25km aan te vatten. Dat lukt. Al moet ik veel langer dan gehoopt wachten op mijn cola. Eigenlijk gaat het -gezien de heersende drukte- heel erg snel maar als je bezig bent aan een FKT doet het pijn om de minuten te zien wegtikken terwijl je staat te wachten op een blikje cola. In zeven haast kloek ik de cola naar binnen en laat het gebouw achter me.
Terwijl ik een looppas aanzet, grijp ik naar mijn oortjes. Muziek is welkom! Auditieve doping. Waar zijn ze nu? Mijn GSM? Ik begin verwoed in het rond te tasten maar plots daalt het besef in dat ik mijn GSM aan het waterkraantje heb laten liggen terwijl ik mijn camelbag aan het bijvullen was. Ik snel de taverne weer in, werp een blik op het kraantje en stel vast dat mijn GSM verdwenen is.
Fuck!
Een koude stressgolf rolt doorheen mijn borstkas. Ik spreek iemand achter de toog aan en vraag of ze mijn GSM gezien hebben. De gevreesde 'nein'. Ik weet niet goed wat mij op dit moment het meeste afschuw bezorgt: het verlies van mijn GSM zelf of het feit dat ik misschien mijn FKT zal verliezen door tientallen minuten lang uit te proberen klaren waar mijn GSM is. Ik denk mezelf een resem verwensingen toe en overweeg kortstondig om mijn GSM te laten voor wat het is.
'Dat is het niet waard!' spreekt de stem van de rede me toe.
Ik besluit om het nog aan twee mensen te vragen en vervolgens inderdaad maar terug op pad te gaan.
Ik spreek een ober aan. Weer die scherpe, hemeltergende 'nein'. God, wat haat ik de Duitste taal. Nein klinkt zoveel erger dan een zachte, mompelend uitgesproken Vlaamse neen. Even denk ik dat het hier zal ophouden maar de lieve man spreekt een vrouwelijke collega aan. Wat gewauwel in het Duits. Ik onderscheid het woord 'Handy', wat blijkbaar GSM betekent.
Handy. Nooit meer zal ik dat woord vergeten. Handy. Handy!
Even later heb ik mijn GSM weer in de hand, stamel een bedankje en loop met bonzend hart naar buiten. Weer aanzienlijk wat tijd verloren!
De adrenaline van de 'fast verlorenes Handy' bezorgt me even vleugels. Ik snel doorheen het Katharinenbusch en blijf goed tempo maken over de lange veldwegen doorheen het Herve-achtige landschap. Opnieuw de koeienweide door. Deze keer verloopt dat gelukkig heel wat vlotter. Mijn herkauwende vriendinnen hebben zich namelijk teruggetrokken aan de overkant van de weide.
Ik dank God.
Het dak van Nederland. Buigen maar niet breken.
Het tempo en de moraal blijven kilometers lang betrekkelijk hoog. Even ziet het er zelfs naar uit dat ik ondanks de vele vertragingen een FKT onder 8u30' zal neerzetten. Zo'n 50' sneller dan het vorige parcoursrecord. De Vaalserberg steekt daar echter een stokje voor.
Ik wist dat hij komen zou. Ik wist exact hoe hij voelt, eruitziet en zelfs ruikt. En toch weet hij me te verrassen. Hij dient me geen mokerslag toe maar deelt wel een stevige por in de ribben uit. Mijn lichaam laat voelen dat ik vandaag mijn best gedaan heb. Mijn benen doen pijn en zenden protestsignalen uit. De kilometers verlopen -ondanks dat ik het onderste uit de kan haal- vrij traag. Op de steilere stukjes gaat het telkens wandelend. Ik zie in dat een tijd onder de 8u30' niet meer mogelijk is. Ik besef anderzijds ook dat er al een zwaar ongeluk moet gebeuren om mij van die FKT af te houden. Toch probeer ik er voor mezelf nog het beste uit te halen.
Het beste. Zonder dood te vallen.
Wanneer ik eindelijk uit de bossen tevoorschijn kom en het drukke drielandenpunt oversteek, bekruipt me dat unieke ultrafinish gevoel. Dat specifieke gevoel dat maar heel even duurt maar waar je wel meerdere uren voor moet lopen om het te kunnen ervaren. Vluchtig. Waardevol. Nauwelijks in herinneringen te vatten.
Een vreemde cocktail van pijn, euforie, opluchting, trots en spijt.
Spijt dat het avontuur weer voorbij is.
Een avontuur dat 8u42'46" geduurd heeft.
Reacties
Een reactie posten