De Bello Gallico - Van angst naar nekslag



Ik zit op een fiets. Mijn rechterknie laat ik schrijlings rusten op het kader in de hoop zoveel mogelijk druk van mijn rechterbeen weg te nemen. Het is een ongemakkelijke, moeilijke houding maar zoveel beter dan wat ik daarvoor moest doorstaan. De dikke noppenbanden ploegen door de modder. Het gaat traag. Moeizaam. In de verte zie ik de lantaarnpalen die samen als een lichtgevende ketting over het glooiende landschap liggen. De maan staat rood en boos boven de velden. Ik heb het koud. In mijn beleving lijkt alles eeuwig te duren. De tijd is gestold tot een soort van stroperige gelei, even zompig en hardnekkig als de modder waar ik de hele dag doorheen geploegd heb. In mijn hoofd en in mijn hart is het een soep van emoties en gedachten. Dankbaarheid. Opluchting. Schaamte en ook vernedering.

Dankbaarheid – voor de sterke schouders die mij langs weerzijden omklemmen en ervoor zorgen dat ik geen stap meer hoef te zetten. Die mij verlossen uit mijn lijden.

Opluchting – dat ik na uren van pijn en doorzetten, van mijn wil tot in het uiterste doordrijven mag stoppen met iets te willen. Dat ik niet meer hoef te beslissen. Mijn lichaam heeft in mijn plaats beslist.

Schaamte – omdat mensen hun vrijwilligerstaak hebben moeten staken ten gevolge van mijn domme keuze.

Vernedering – omdat ik op 10 kilometer tijd van een sterke podium kandidaat ben getransformeerd in een zieltogend hoopje ellende.

Angst (kilometer …. – 0)

Het is intussen een herkenbaar fenomeen geworden. Iedere keer als ik een grensverleggende ervaring –de laatste jaren is dat meestal een ultratrail- tegemoet ga, bots ik op een muur van faalangst. Een muur die bestaat uit vele stenen die ik elk afzonderlijk als een gewicht rond mijn nek voel hangen. Ik noem het faalangst omdat ik het kind een naam moet geven. Het kind krijst en schreeuwt, zeurt en jammert echter in een verscheidenheid aan toonaarden. Neurotisch gedrag de dagen voor de wedstrijd: mijn uitrusting keer op keer checken en her-checken. Ben ik niets vergeten? Wat als die schoenen toch niet helemaal goed meer zijn? Zou mijn lamp het wel lang genoeg trekken? Ik leg alles dagen op voorhand klaar. Check of het in orde is. Noteer het op een briefje. Niet omdat ik het anders zou vergeten maar bij wijze van ritueel. Als houvast. Om mezelf er vijf minuten later op te betrappen dat ik hetzelfde item opnieuw aan het controleren ben.

Slapeloosheid de nachten voordien. Allerhande pijntjes die uit het niets opduiken. Ja, de dag voordien voelde ik me zelfs echt ziek worden. Pijnlijke spieren. Extreme vermoeidheid. Slapte. Alsof mijn lichaam wist wat het morgen te wachten stond en zich ziek probeerde voor te wenden om het zichzelf die lijdensweg te besparen.

Goed geprobeerd lichaam. Mijn geest trapte er niet. Ondanks de mentale onrust en de fysieke ongemakken van de voorbije dagen, zette ik toch mijn wekker om 1u00. Een kort nachtje van drie uur. Misschien was de uitputting van de voorbije dagen achteraf bekeken een zege? Daardoor viel ik immers als een blok in slaap en werd die uiterst korte nacht ten volste benut.

Focus (kilometer 0-20)

Ik werd wakker met goesting. De onzekerheid en de faalangst leken tijdens dat korte nachtje van mij afgegleden te zijn. Ik voelde me uitgerust en scherp. Energiek maar relatief rustig. Ik was klaar om het avontuur aan te gaan.

Toekomen in de Roosenberg had iets magisch. Ik heb zo vaak binnengekeken in die zaal, vanachter een computerscherm. De YouTube filmpjes van anderen grijs gekeken. Met ongeloof en verwondering heb ik de voorbije jaren de verslagen van anderen doorlezen. Die Bello Gallico, 160 kilometers, ik kon toen niet geloven dat mensen dat deden. Zelfs wilden doen. Het leek iets abstracts –een andere werkelijkheid-  waar ik onmogelijk deel vanuit kon maken. Mijn gedachten bij het lezen en bekijken van zo’n facebook of YouTube verslagen, evolueerden de voorbije jaren van:

‘Fucking gekken, nooit van mijn doe ik zoiets!’
Over

‘Wat een onwaarschijnlijke prestatie, ik denk niet dat ik dat ooit zal kunnen. Dit is enkel voor Goden en ik ben een sterveling.’

Naar

‘Misschien ooit?’

Tot

‘Dit is een droom die ik wil waarmaken. Het zou wel eens kunnen lukken met de juiste voorbereiding.’

En nu stond ik daar zelf. Klaar om hetzelfde te doen.

De start verliep rustig en gemoedelijk. Tim die een sigaretje opstak en de troepen schouwde alvorens hij de start aangaf. We trippelden er vandoor in de donkere nacht. Na welgeteld twintig stappen zakte ik voor het eerst tot aan mijn enkel in de modder. De toon was gezet. Ik vond het heel moeilijk om het tempo in te schatten. Niet te snel, dat sprak voor zich. Maar ook weer niet zo traag dat het onnatuurlijk aanvoelde. Bovendien wou ik stiekem toch een scherpe tijd lopen. Aanvankelijk liet ik me wat meedrijven op het tempo van de kopgroep. In het begin voelde dat erg comfortabel en realistisch aan maar na minder dan twee kilometer begon Irene eens goed aan de boom te schudden. Enkel Ivan en Ivo waagden het om haar te volgen. Zodoende vormde zich een pijlsnel trio. In de achtervolging liep Jan Van Bos en ikzelf vervolledigde op ruime afstand de top vijf. Ik liep aan een tempo van zo’n dikke 12km/u en toch werd de kloof met de kopgroep steeds ruimer.

Waanzin. Ik deed geen moeite om te volgen.

Uiteindelijk moet ook de ijzersterke en immer winnende Ivo ingezien hebben dat het onnodig was om al zo vroeg zo hard te gaan op een wedstrijd van 160km. Hij haakte zijn wagonnetje af en wat later kwamen Ivo, Jan en ikzelf weer samen. Het tempo zakte tot iets wat voor mij als eerder traag aanvoelde. Onder mijn basistempo. Ik realiseerde me echter dat ik me in het gezelschap bevond van twee gerenommeerde ultralopers en dat bij hen blijven wellicht het beste was wat ik kon doen.

Ivo wint altijd, dacht ik, dus als hij meent dat dit het tempo is waarmee je een 100 mijl succesvol beëindigt, dan gaan we dat zo lang mogelijk proberen volgen. Het feit dat dit wat lager lag dan wat ik instinctief zou gedaan hebben, vond ik bemoedigend. Bovendien had ik er ook niet zoveel zin in om zo vroeg al uren alleen te lopen.

Niet zo heel lang na onze symbiose liepen we de eerste bevoorrading te Bierbeek binnen. Irene en Ivan haastten zich net naar buiten toen wij er toekwamen.

Kracht (kilometer 20-40)

Op het eerste rustpunt leek iedereen zich door de gebruikelijke routines te haasten terwijl ik net iets meer tijd voor mezelf nam. Dat maakte dat ik na het verlaten van de verzorgingspost een kleine inhaalbeweging diende te maken om weer bij Ivo en Jan aan te sluiten. Dat lukte op een kleine kilometer. Ondanks de brijige modder die als een soort van levende duivel aan onze enkels leek te zuigen, waren dit snelle kilometers. Het duister leek de tijd te absorberen en we tikten de kilometers weg aan een gezapig aanvoelend tempo. Ik voelde me sterk. De eerste twintig kilometer was het wat zoeken naar het juiste ritme maar dat leek ik nu gevonden hebben. Onze tempo’s synchroniseerden en de gesprekken kwamen langzaam maar zeker op gang.

Ivo en Jan leken elk bochtje en elk kronkeltje van het parcours te kennen. Ikzelf heb het parcours in mijn herinnering niet zo bewust beleefd. Veel duisternis, regen en vooral veel modder. Heel veel modder. Men zegt dat Eskimo’s een veelheid aan benamingen hebben voor het begrip sneeuw. Dat sneeuw voor hen niet zozeer een concept dan wel een spectrum is. Zo zal dat in mijn beleving vanaf nu ook met modder zijn.

Op een gegeven moment nam ik bijna een verkeerde afslag. Ik was –het achterlichtje van Ivan volgend- ei zo na via een steile afdaling de donkere bossen in gedoken. Ivo en Jan maakten me gelukkig attent op mijn vergissing en schreeuwden ook Ivan tot de orde. We meenden dat Ivan ons wel weer zou remonteren maar we zagen hem nooit meer terug. Ook niet toen ik wat later het gezelschap even moest verlaten ten voordele van een hoogdringend boombezoekje.
Het lichaam is als een klok. Het was –jawel- iets na zevenen. Het uur waarop ik gewoonlijk plaatsmaak voor het ontbijt.

Gelukkig wist ik Ivo en Jan –die lustig voort waren getrippeld- snel weer bij te benen door middel van een milde tempoversnelling.

Een goede zes kilometer later kwamen we aan op CP 40.

Zo, vijventwintig procent afgeklokt.

Nog 120 kilometer te gaan.

Na het lopen van bijna een marathon.

Fuck, nee. Niet aan denken.  Denken in hapklare brokjes. Nooit verder dan twintig kilometer in de toekomst kijken!

Pijn (Kilometer 40-60)

Op CP 40 ging het er al een stuk gemoedelijker aan toe dan op CP 20. We gingen er alle drie rustig bij zitten, sipten een soepje weg en verorberden een heerlijke wrap. Laten we vooral ook het maagstortbad van cola niet vergeten. Ik nam zelfs de tijd om me even terug te trekken op het sanitair om enkele stukjes vochtige bladrand uit mijn bilnaad te bevrijden. Het was zelfs zo dat Ivo, Jan en ik even op elkaar wachtten en samen weer het grijs van de vroege ochtend opzochten.

Bij het weer op gang komen ervaarde ik de welvertrouwde spierstijfheid en enkele kleine pijntjes. Niets om me zorgen over te maken. Ik wist op voorhand dat deze op een gegeven moment zouden aankloppen en dat ik hun gezelschap uren kon verdragen zonder dat dit een invloed heeft op mijn tempo. Er was echter ook iets anders. De eerste tientallen meters ervaarde ik een trekkend gevoel in mijn rechterheup dat er niet mocht zijn. Waarom andere pijntjes wel deze vrijgeleide krijgen en dat specifiek euvel niet? Daar kan ik geen concreet antwoord op gegeven. Op de één of andere manier weet je instinctief en onmiddellijk wat problematisch is en wat niet. Zo kan ik bijvoorbeeld de laatste twintig kilometer van een 100 kilometer trail echt creperen van de pijn in mijn spieren en voeten maar me daar helemaal doorheen bijten zonder ook maar een seconde ongerust te zijn over de gevolgen daarvan. Langs de andere kant kan een vrij miniem maar specifiek pijntje meteen grote zorgen baren.

Over zo een pijntje ging het dus.

Het zal toch niet waar zijn? Nu al?

Hopelijk ebt het nog weg!

En dat deed het.

Voorlopig.

Onze tocht ging verder. We ploegden ons door de dikste drab die een mens zich maar kan voorstellen en zagen het donker plaatsmaken voor donkergrijs en het donkergrijs voor lichtgrijs. Haast onmerkbaar was het dag geworden. Ineens.

Tussen km 40 en km 60 presenteerde zich het meest heuvelachtige stuk van het gehele parcours. Voor de echte bergen moet je vanuit ons klootjesland minstens 6 uur rijden, binnen de eigen landsgrenzen heb je als troostprijs de Ardennen. Zoek je het nog dichterbij? Dan kan ik de Voerstreek aanraden als een troostprijs van een troostprijs. Hoewel de heuvels rond Oud-Heverlee zelfs geen vergelijking met de Voerstreek doorstaan, zaten er alsnog enkele flinke kuitenbijters bij.
Heupbijters in mijn geval.

Ik begon namelijk een jammerlijk onderscheid te ervaren tussen bergop en vlak/bergaf. Op het vlakke voelde ik me sterk en soepel en was er van pijn geen sprake. Bergop daarentegen begon de trekkende pijn in mijn heup steeds meer aanwezig te worden. Tot op een punt dat het niet langer mogelijk was om te ontkennen dat er iets niet goed zat.
Toch bleef ik mezelf wijsmaken dat het heupprobleem niet het einde hoefde te betekenen.
De pijn was draaglijk. Te verduren. Ik heb al erger meegemaakt, zei ik tegen mezelf. Dit kan er wel bij.

Zo lang het maar niet te veel verergerd.

Toch keek ik de laatste kilometers voor het CP 60 steeds meer uit naar een rustpauze. Niet zozeer omwille van de vermoeidheid. Of omdat ik uitkeek naar het heerlijke eten en de toffe vrijwilligers die ons ongetwijfeld een hart onder de riem zouden steken. Neen, ik wilde vooral mijn pijnlijke heup even ontlasten.

Ook op CP 60 deden we ons tegoed aan al het heerlijks dat er op de tafels lag uitgespreid. Ook de vrijwilligers waren niet minder warm en vriendelijk dan op de voorgaande. Toekomen op de CP’s voelde een beetje als thuiskomen na een lange, gure werkdag.

Ivo was uiterst efficiënt en geolied in zijn checkpoint-routines. Ikzelf ben van nature altijd al een treuzelaar en een rommelaar geweest. Jan daarentegen gaf aan zich niet helemaal ultra-fit te voelen en nam bewust wat meer tijd voor zichzelf. Zo geschiedde het dat Ivo een poosje voor ons ging vliegen en Jan en ik samen het CP verlieten.

Heropleving (Kilometer 60-80)

Bij het verlaten van het CP gaf ik Jan aan dat ik me even zou afsluiten. Met reeds 60 kilometer in de benen vond ik het al eerder laat om mijn auditieve doping in te schakelen. Deze keer was er niet de behoefte om een me uit een mentale of fysieke dip te boosten, dan wel het verlangen om me even af te lijden van de snerpende pijn in mijn heup. Ik plugde mijn oortjes in en selecteerde een playlist van This Or The Apocalypse. Dat hielp. De pompende, hoog technische gitaarrifs zalfden mijn geest en leken de pijnsignalen die nu al urenlang gestaag van heup naar brein stroomden enigszins te verstoren. Wat ook hielp was dat het terrein opnieuw wat uitvlakte waardoor er minder hellingen waren die mijn heup agiteerden. Ik geraakte opnieuw in een flow en liep Jan –zonder dat echt te willen- op enige achterstand.

Op km 75 zag ik Ivo voor me opdoemen. Dit stimuleerde me om extra aan te zetten en weer bij hem aan te haken. De laatste kilometers naar het rustpunt op 80km legden we samen af in een gemoedelijke sfeer.

Ik had enorm uitgekeken naar de aankomst op het keerpunt van de wedstrijd. Ik wist dat mijn ouders en plusouders aanwezig zouden zijn. En nog belangrijker: mijn gezin. Alsof dat nog niet genoeg was had ook Hendrik –een zeer goede vriend- beloofd om aanwezig te zijn.

Voor de wedstrijd had ik gevreesd dat hun aanwezigheid het misschien voor mij extra moeilijk zou maken. Dat ik misschien geen zin meer zou hebben om opnieuw de gure bossen en velden in te trekken en liever bij hen zou willen blijven. Zeker als het op dat moment moeilijk zou gaan.
Het was fantastisch dat zij er waren maar inderdaad ook wat moeilijk. Maar dan op een andere manier dan geanticipeerd. Ik werd heen en weer geslingerd tussen het verlangen om zo efficiënt mogelijk mijn CP-routines af te werken en toch voldoende in contact te gaan met al die mensen die hun dag hadden opgeofferd om mij te zien. Mijn 4-jarige dochtertje zei nauwelijks een woord en kwam stilletjes naast me zitten. Ze keek me aan met meewarige kijkertjes en streelde me zachtjes over mijn rug en arm. Mijn lieve, sensitieve dochtertje. Ze voelde zo perfect aan wat ik op dat moment nodig had. Rust, nabijheid. Een aanraking. Het maakte mij ook wat triest. Ikzelf was immers vooral bezig met eten, drinken, het vullen van mijn camelbag en het wisselen van mijn kousen. In mijn hoofd was ik ook een beetje bij Ivo die wederom veel snediger was in het afwerken van zijn routines en ettelijke minuten voor me het checkpoint verliet. Voor mijn zoontje van 18 maanden vond ik het al helemaal zielig.

Hij liep er wat verloren bij en bleef maar ‘Poepa, poepa, poepa!’ roepen. Het arme ventje kon er kop nog staart aan knopen. Hij wist echt niet waar de klepel hing en waarom zijn ‘poepa’ als een hongerige wolf een bord droge rijst naar binnen zat te stompen.

En dan waren er de vragen van mijn familie. De aanmoedigingen. Hendrik die ook Pieter had meegebracht. Het was hartverwarmend maar tegelijkertijd ook wat veel om allemaal te verwerken.

Al bleef ik langer dan wenselijk was op het CP, toch had ik op dat moment ‘slechts’ 8 uur op de teller: het lopen van 80km incluis een lange pauze. Ik zette de aftocht weer in: het rondje van 80 km maar dan in omgekeerde richting. Jan die ondertussen ook was toegekomen op het CP gaf aan zich niet zo goed te voelen en bleef wat langer zitten.

Ik trok er weer alleen op uit.

Hoop (Kilometer 80-100)

De wat langere pauze en de sociale contacten deden me voelbaar deugd. Mijn aangedane heupspier leek zich terug wat ontspannen te hebben en ook mijn mentaliteit had een fikse opfrisbeurt gehad. Ik maalde de kilometers weer vlot weg. Stiekem voelde ik mijn borst zwellen van trots. Liefst 80 kilometer op de teller en nog steeds voelde ik me zo sterk. Ik begon zowaar te geloven dat ik dit huzarenstuk tot een succesvol einde zou brengen. Ik liep nu voortdurend andere lopers die nog aan hun eerste ronde bezig waren tegen het lijf. Ivan, die echt veelbelovend was vertrokken, leek nu een serieus eind achterop te liggen. Ik herkende achtereenvolgens Lander, Ward en Karel maar ook tussen de voor mij onbekende lopers en wandelaars werden aanmoedigingen en begroetingen uitgewisseld.

Mijn benen die bleven pompen en mijn voeten klauwden vastberaden de kilometers weg terwijl ik met mijn hoofd in hogere sferen zat. Ik leerde van enkele andere lopers dat Ivo en Irene niet zo ver voor me lagen. Hoewel ik het al bijzonder fantastisch vond dat ik op de derde stek liep, durfde ik toch te blijven hopen op meer en beter. Waarom ook niet?

Zelfs de bakken water die bij het openen van de hemelsluizen over me heen werden gekieperd, konden de euforie niet van me afspoelen. De modder, die bleef echter smullen van het hemelvocht en werd zo mogelijk nog vettiger als voordien. Paden die er voordien gewoon drekkerig hadden bijgelegen veranderen nu als bij toverslag in stromende beekjes.

Euforie is per definitie een emotie die niet onderhoudbaar is. Eindig van karakter. Richting CP 100 begon de heup opnieuw te knagen en te bijten en kalfde mijn vertrouwen beduidend af.

Neerwaartse spiraal (Kilometer 100-120)

Op CP 100 deed ik –terwijl ik mijn vegetarische hotdog naar binnen duwde- een soort van zelfcheck.

Energiepeil: ok

Maag en darmen: ongezien goed voor een ultra van deze duur.

Benen: vermoeid maar niet afgeschreven

Heup: verontrustend

De eerste stappen die ik bij het verlaten van het CP zette waren de ergste en meest pijnlijke tot nog toe. Mijn heupstrekker leek zich tijdens het rustmoment te hebben samengetrokken tot een strakke staalkabel waar geen enkele rek meer opzat.

Shit, ik kreeg geen normale paslengte meer uit mijn been geperst. Ik stelde vast dat ik mijn been zelfs nauwelijks nog kon opheffen. Tot nu toe hadden rustpauzes telkens wat stress van mijn heup opgeheven, nu echter leek de looponderbreking ervoor gezorgd te hebben dat mijn spier helemaal vastgeroest was geraakt. Stappen deed pijn dus probeerde ik te lopen. Met een soort van spastische beweging van mijn bovenlijf wierp ik mijn rechterbeen voor me uit terwijl ik afzette met het linker. Onmiddellijk dwong ik mezelf in een bejaard ogend dribbelpasje. Eens lopende leek de pijn wat terug te zakken tot een aanvaardbaar niveau.

Helaas niet voor lang.

De heuvelzone strekte zich immers voor me uit. De snedige, spekgladde hellingen achter de bevoorradingspost waren een ware foltering. Heuvelop schreeuwde mijn heup het uit. Stappen bood geen enkele verlichting aangezien de langere paslengte die bij powerhiken hoort mijn heupstrekker nog meer agiteerde dan een gewoon dribbelpasje. Slenteren dan? Nog 60km slenteren? Neen, bedankt.

Aan het begin van de folterzone liep ik Wim Peeters –die ik vooral herkende van zijn vele facebookverslagjes- tegen het lijf. Zijn hartelijke aanmoediging deed me enorm deugd en zorgde er misschien zelfs voor dat ik niet daar en dan de handdoek in de ring gooide.

Ik zette door.

Beet door de pijn heen.

Urenlang.

Ik herinner me enkel nog het alleen lopen en de ellendige opeenvolging van heuvels. De pijn was intussen zo fel geworden dat de klassieke trucjes om mijn gedachten ervan weg te leiden niet langer werkten. Ergens in mijn brein was een soort van dam aan het breken. Ik was er heel lang in geslaagd om de golven van pijn te weren uit de kern van mijn wezen maar nu leek de barrière die ik had opgeworpen scheuren te vertonen.

Ik besefte: als de barrière scheurt, dan is het gedaan. Als ik toegeef aan de pijn, dan zal ik de pijn nooit meer kunnen ontvoelen.

De Nekslag (Kilometer 120-135)

Op CP 120 zag ik Jan terug. Op CP 100 had hij de beslissing genomen dat het niet zijn dag was en zag hij in dat het beter was er mee op te houden. Ik vond dat jammer voor hem maar wellicht maakte hij de beste keuze. Achteraf bekeken een dappere keuze die ik beter ook had gemaakt.

Stef fleurde de boel wat op met een aantal grapjes en wist me mee te geven dat ik een comfortabele voorsprong had opgebouwd op de 4de loper.

Misschien had ik dat beter niet geweten. Een derde plaats leek haast een zekerheid te zijn. Een derde plaats was voor mij iets dat ik hoog inschatte. Een derde plaats op mijn eerste 100 mijl. Maar dat veronderstelde dat ik in staat moest zijn om nog 40km door de pijn heen te bijten.

‘Dat moet lukken,’ zei ik tegen mezelf. ‘Dat moet godverdomme lukken. Vier uur afzien. Ik heb al twaalf uur afgezien, die vier uur moeten er toch nog bij kunnen.’

Ik was vastbesloten om niet op te geven terwijl ik al zo ver geraakt was. Voor mij was de handdoek in de ring gooien een welhaast onmogelijke gedachte.

Dus verliet ik het CP 120 met de intentie om het af te maken.

Ik probeerde aan te zetten en…

…oef…
…auwtsch…
…mijn been wilde gewoon niet meer.

Ik stopte even. Haalde adem. Zette opnieuw aan.

Niets.

Dan maar terug een spastische werpbeweging van mijn bovenlijf. Afstoot met mijn linkerbeen en we zaten weer op de pijntrein die weliswaar weer voortrolde maar kreunde en kraakte bij elke omwenteling. Het voelde niet goed. Wat bitter. Het kalf was aan het verdrinken en dat wist ik toen al.

Niet zo ver na CP 120 stond Kevin langs het parcours te wachten, samen met zijn vriendin. Ik ken Kevin nog niet zo lang maar we hebben toch al enkele erg fijne lange trainingssessies achter de rug. Ik apprecieerde het enorm dat hij de moeite deed om voor zijn eigen 80km wedstrijd langs het parcours te gaan staan. We deden een kort praatje en weg was ik weer.

Naarmate de kilometers vorderden verwerd de pijn tot een soort van snoer dat zich straktrok rond mijn geest en alle wil en vastberadenheid de adem afsneed. De pijn had zich nu helemaal doorgetrokken over mijn bovenbeen, tot in de zijkant van mijn knie.
40 kilometer -4 uur lopen- leek ineens nog heel ver te zijn.

Bij valavond sprak ik nog een kort filmpje in op een Whatsapp groep die ik deel met niet-loopvrienden. Eerder om mezelf moed in te praten dan om anderen op de hoogte te houden van mijn voortgang. Kort nadien ging het pijlsnel bergaf.

‘Pijn is een emotie.’ Zei ik tegen mezelf. ‘Het hangt er gewoon van af hoe je ermee omgaat.’

Ik heb al erger meegemaakt! Ik dacht terug aan de twee maanden hospitalisatie ten gevolge van een gesprongen appendix. Twee maanden van intense pijn, vele malen scherper dan de pijn die ik nu ervaarde. De ergste foltering die ik ooit in mijn leven heb meegemaakt. Dat heb ik toen toch ook doorstaan. Op mijn twaalfde nota bene.

Het hielp niet. Mijn voortgang werd nu ook trager. Ik stopte om de haverklap om rekoefeningen te doen. In de hoop om telkens wat druk van mijn aangedane heup te halen. Tevergeefs. Het werd alleen maar erger. De minste oneffenheid zorgde nu voor een felle pijnscheut tussen heup en knie. Bergop lopen was een kwelling en de afdalingen boden geen verlichting meer.

Een tsunami van negatieve gedachten en wanhoop stroomde mijn geest binnen.

Ik stond stil. Ik tuurde in het duister. Keek naar de bloedrode maan die roerloos boven de velden hing.

Ik voelde mij ongelooflijk triest, een depressieve stemming die als een loden gewicht op mijn borst drukte. Ik wist dat het klaar was.

Ik friemelde mijn gsm boven en belde mijn vriendin op. Jammerend vertelde ik haar dat het niet meer ging, dat ik zou moeten stoppen. Dat al die uren van afzien en doorbijten voor niets zijn geweest.
Ze troostte me maar zei ook: ‘Dat is het beste.’

Ze had gelijk maar…

Fuck nee! Dat kan gewoon niet. Nadat ik mijn gsm had weggestoken, besloot ik toch weer verder te gaan. Het is goed dat ik mijn emoties even heb kunnen uiten maar opgeven zit er niet in! Ik zou strijden tot het bittere einde.

Deze keer was er echter niets dat mijn heup nog kon overhalen om opnieuw in beweging te komen. Mijn heupstrekker had er compleet de brui aan gegeven en mijn heupgewricht was overgegaan op de blokkade-stand. Ik denk dat ik zelfs niet meer had kunnen lopen moest er iemand een dubbelloops shotgun tegen mijn hoofd hebben gehouden.

Tachtig kilometer lang was ik niet dapper genoeg geweest om de juiste beslissing te nemen: stoppen. Nu had mijn lichaam het van mijn weerbarstige geest overgenomen.
Het was over and out.

Lijdensweg (Km 135-137)

Ik probeerde nog op eigen kracht uit de bossen te geraken. Ik vond dat ik dat moest doen. Ik vond dat ik maar de consequenties moest dragen van mijn eigen dwaze keuzes. Nooit eerder heb ik mijn lijf gedreven tot op een breekpunt als dit. Natuurlijk ben ik al eerder geblesseerd geweest. Al veel vaker dan goed is, wat mij betreft. Maar dan gaat het over iets dat zich opbouwt over meerdere dagen, weken of maanden totdat je uiteindelijk de bewuste keuze maakt om de loopschoenen wijselijk aan de haak te hangen. Dit was anders. Deze keer ben ik doelbewust door de pijn heen blijven bijten totdat mijn lichaam er simpelweg het bijltje bij neerlegde. Stoppen met de Bello Gallico was geen keuze meer. Ik werd er toe gedwongen. Het was mijn keuze om me uiteindelijk te laten dwingen door mijn lichaam.

Ik hinkte een aantal stappen en kermde van de pijn. Hoe langer ik stilstond, hoe langer ik voortbewoog aan dat tergend trage tempo, hoe vaster mijn heup kwam te zitten. Ik meende dat ik mij voortbewoog aan een gemiddelde snelheid van zo’n 0,5km/u. Op die manier zou het nog tien uur duren vooraleer ik op het volgende CP zou aankomen. En nog minstens 5 uur totdat ik de dichtstbijzijnde weg zou bereiken.

Onmogelijk, besefte ik. Ook begon ik het intussen flink koud te krijgen.

De weerdemonen die deze namiddag hun toorn over de Bello Gallico hadden laten neerdalen, hadden zich teruggetrokken. De hemel was helder met streepjes wolk en zo’n mooie gouden rand aan de horizon. Die bloedrode maan. Een boos oog in het zwart van de nacht.

De schoonheid en de vrede van het landschap deden mij pijn. Ik had hier door moeten lopen. Op weg naar zaal Roosenberg.

Er zat niets anders op dan de organisatie te bellen. Die vroegen me aanvankelijk om naar de dichtstbijzijnde weg te stappen om aldaar opgepikt te worden. Zo ver geraakte ik echter in. Wat later kwamen enkele mountainbikers van de organisatie voorbij gebaggerd. Ze waren op dat moment bezig met het checken van de bewegwijzering maar toen ze zagen hoe erbarmelijk ik eraan toe was, stelden ze alles in het werk om mij te helpen.

Mijn vernedering ging een volgende fase in. Stappen lukte niet meer. Ook slenteren was niet meer mogelijk. Thans hielpen de mountainbikers mij op een fiets -ook dat kon ik niet meer zelfstandig- en duwden mij met z’n tweeën de velden rond Bierbeek uit.

Verlossing, teleurstelling, verdriet (Km 137-…)

Omdat het nog even wachten is totdat een auto van de organisatie me kan oppikken, zetten de mountainbikers me af bij een bevriend koppel. Het zijn lieve mensen die mededogen tonen en me trakteren op een warme chocolademelk. Ik schaam me omdat ik hun gang bevuil met mijn met modder aangekoekte schoenen. Mijn heup doet zoveel pijn dat ik mijn schoenen niet eens uitkrijg. De koude en de vermoeidheid slaan plots hevig toe. Ik kan nauwelijks nog communiceren.

Uiteindelijk brengt een lieve vrijwilligster me terug naar zaal Roosenberg waar ik meteen word opgevangen door een kinesist die zijn manuele kunsten voor een weekend gratis ter beschikking stelt aan de Bello Gallico. Respect hiervoor. De Bello Gallico lijkt haast niets te ontberen. Een geweldige sfeer, übersympathieke vrijwilligers, heerlijke spijzen op de CP’s, feilloze bewegwijzering en nu zelfs een kinesist die klaar staat om domme kloten zoals ik weer wat tot leven te kneden.
De brave man onderzoekt mijn gefnuikte heup, stelt wat vragen en maakt al knedend mijn strakgespannen spieren los. Terwijl ik kermend van de pijn op de jutten brits lig, hoor ik luid geapplaudisseer en zie ik Ivo de zaal binnen struinen.

Even doet mijn hart meer pijn dan mijn heup maar ik voel toch vooral bewondering voor deze ijzersterke atleet. Hij heeft dan toch Irene nog in extremis weten verschalken. Onwaarschijnlijk.
De behandeling van de kinesist slaat aan. Zeker vijf stappen lang voel ik geen pijn meer. Dan slaat de heup weer dicht. Omdat auto rijden geen optie meer is, word ik opgehaald door mijn vader. Hoezeer ik ook had willen genieten van de sfeer in zaal Roosenberg, op dit moment wil ik enkel en alleen nog afdruipen.

Reflectie (Km …-…)
De dagen na de Bello Gallico droeg ik de teleurstelling mee als een loden kogel in mijn borst. Ook nu gaat iedere keer als ik denk aan de manier waarop het voor mij geëindigd is, de wonde weer bloeden. 

En dat is vaak.

Het is niet de eerste keer in mijn leven dat ik een DNF achter mijn naam heb staan. Toch is dit de zwaarste en de meest deprimerende die ik ooit heb moeten of mogen meemaken.
Mijn vorige DNF’s waren steeds Ardennentrails van 50km. Vaak omdat ik de afstand verkeerd had ingeschat en te snel was vetrokken of omdat ik toch gestart was ondanks een slechte vorm. Jammer maar volgende maand is er alweer een nieuwe kans op een welhaast identieke trail, elders in de Ardennen. En meestal vond ik dat dan ook mijn verdiende loon. Te snel starten heeft nu eenmaal zijn consequenties en daar leer je uit.

Dit was anders. De 100 mijl vraagt veel. De lange voorbereiding die niet alleen druk op mezelf legde maar ook knabbelde aan de kostbare gezinstijd, de taper en dan op de dag zelf: de onmetelijke inspanning waaraan je jezelf blootstelt. En in dit geval de uren van pijn die ik heb doorstaan omdat ik weigerde op te geven. Als dat alles dan resulteert in een niet-succesverhaal, dan weegt dat zwaar door. Bovendien krijg je in België niet elke week de kans om een 100 mijl te lopen. Het zal nog minstens 9 maanden of zelfs een jaar duren vooraleer ik me terug kan wagen aan zo’n avontuur.

Dat is lang wachten.

En wie zegt dat ik dan ook zo’n goede dag zal hebben? Intrinsiek had ik het echt in me. Mijn energiepijl was de hele wedstrijd lang constant, het eten van zowel vaste als vloeibare voeding bleef ongezien vlot gaan en ook mentaal voelde ik me erg sterk. Als dan een blessure roet in het eten gooit, smaakt dat bitter.

Nu, vijf dagen later kan ik wat meer afstand nemen en bekijk ik alles met wat meer nuance. De eerste dagen bleef ik maar tegen mezelf zeggen dat ik zo’n goede dag had, dat alles meezat en dat het er eigenlijk wel in zat. Een finish. En zelfs een derde plaats.

Eigenlijk was dat niet zo.

Ik beschouwde die blessure welhaast als iets dat buiten het geheel stond. Een externe factor. Maar eigenlijk maakt blessurevrij blijven evenzeer deel uit van een succesverhaal dan pakweg een welwillende maag of soepele spieren. Voor het finishen van een 100 mijl moeten alle planeten op één lijn staan.

Op 14 december stonden alle planeten op één lijn, op één na. En die blessure komt ook niet zomaar uit het niets. Die was ongetwijfeld al sluimerend aanwezig. Dat betekent dat ik mijn opbouw van de voorbije maanden wellicht toch niet zo goed heb aangepakt als ik initieel dacht.

Nu, vijf dagen later, knaagt het nog steeds maar de scherpte van de teleurstelling is er wat af. Stilaan maak ik me los van wat nu het verleden heet en begin ik langzaam weer aan de toekomst te denken. Mijn heupfunctie heeft zich grotendeels hersteld maar voorlopig  hou ik –zoals gepland- nog even rust om tot een volledig herstel te komen.

Nadien zien we wel weer.












Reacties

Populaire posts van deze blog

Lof aan de Lofoten: deel 1 van ?

Lof aan de Lofoten (deel 3)